Rondom de diensten

Abonneren?

Een e-mail ontvangen als er een nieuw bericht op dit weblog staat? Klik dan op deze link. U komt bij een Engelstalig formulier waar u uw mailadres kunt invullen. Daaronder moet u een tekst overtikken en op ‘Complete Subscription Request’ klikken.

Advertenties

Wij zijn onnutte slaven

Lukas 17:10, Oudjaar 2013

Oudjaar is het moment om de balans op te maken. Van het afgelopen jaar, maar ook van de afgelopen jaren die we als gemeente en predikant samen hebben gehad. Wat heeft de Heere ons veel gegeven, persoonlijk en gezamenlijk. Nu ligt het wel subtiel als het op dergelijke dankbaarheid aankomt: laten we echt op de Heere gericht zijn. Onze tekst helpt ons daarbij.

Confronterend: we zijn kennelijk slaven

Deze gelijkenis is niet half zo populair als de gelijkenis van twee hoofdstukken eerder, die van de verloren zoon. Daarin komen we God tegen als een ontfermend Vader en mogen zondaren Zijn thuiskomende kinderen zijn. Prachtig! Maar in deze gelijkenis wordt het beeld gebruikt van God als meester en de discipelen (en uiteindelijk alle gelovigen) als slaven. Dat is een beeld dat ons veel minder aanstaat, ons misschien zelfs wel tegen de borst stuit.

We zijn toch geen slaven? En toch: Paulus noemt zich een slaaf (Rom. 1:1 e.a.p.) en Simeon noemt zich in zijn lofzang een slaaf tegenover zijn meester (hij spreekt God als ‘gebieder’ aan).

Wat zegt Jezus nu eigenlijk? Een boer heeft maar één slaaf. Of hij niet meer kon betalen of dat er niet meer werk was, weten we niet. Die slaaf heeft de hele dag op het land gewerkt of de schapen gehoed. Als hij thuiskomt, ontvangt die boer hem niet met alle égards en bedankt hij hem niet uitbundig. Nee, hij moet nog aan het werk met de maaltijd (en dat was serieus werk, in die tijd). Niks: plof daar maar neer, maar: aan de slag! Hij moet het gewoon doen, het is niet iets bijzonders.

Kunnen wij daar nog wel tegen, in onze cultuur van waardering en complimenten? Dat we af en toe gewoon iets moeten doen zonder morren? Zelfs als je alles keurig gedaan hebt, heb je niet meer gedaan dan eigenlijk moest. Wij zijn maar onnutte slaven.

Let wel: dat betekent niet dat alles wat je deed, waardeloos is – integendeel. Maar het betekent wel dat je er geen pluspunten mee verdient; je hebt immers niets extra’s gedaan? “Ja maar, kan er dan bij God niet eens een klein bedankje af?” Voorstelbare vraag vanuit ons perspectief, maar ook wel een beetje aanmatigend. Verderop komen we er nog wel even op terug.

Waarom is dit nu nuttig voor ons? Deze gelijkenis zet ons op onze plek. Laten we ons maar niks verbeelden. De discipelen wilden graag ‘meer geloof’, waarschijnlijk om meer wonderen te doen en meer impact te hebben en, vooruit, om zelf ook wat meer in beeld te komen. Maar Jezus wijst er op dat het niet om de kwantiteit geloof gaat, maar om de kwaliteit: denk aan het mosterdzaad, dat ook nog eens langzaam en weinig spectaculair werkt. Met andere woorden: probeer niet wat te worden met je geloof. Werk er niet op aan dat je overladen wordt met dank, waardoor je zou vergeten dat je er bent om te dienen.

Er zit ook een bepaalde overspanning in, als alles maar bijzonder en geweldig moet zijn. Laten we eerlijk zijn: onze levens zijn niet zo fantastisch als je zou denken als je alleen naar Facebook keek. En onze kerkdiensten zijn niet bijzonder spannend in zichzelf.

Nota bene de humanist Erasmus tekent bij deze tekst aan dat het sterkste geloof een bescheiden geloof is.

Hebben wij er genoeg aan, het eigendom van God in Christus te zijn? Of is ons dat een beetje te min? Mag er nog wel wat bij? Hopelijk hebben we ontdekt dat dit het Evangelie is: ik ben bevrijd van mezelf en het is heerlijk om te mogen dienen waar de Heere me roept. “Wiens ik ben, Die ik ook dien” (Paulus). Laten we maar onnutte slaven zijn bij de Heere.

Opdracht: we moesten het doen

De tekst spreekt over de dingen die opgedragen zijn. Met een variant op een woord van president Kennedy: vraagt niet wat je God voor jou kan doen, maar vraag je af wat jij voor je God kunt doen. De Heere is geen service verlenend instituut. God is er niet om het ons maar naar de zin te maken. Wij ze niet alleen van de Heere, we zijn er ook voor de Heere.

Wie bij de Heere hoort, krijgt een taak. Ik bedoel dat helemaal niet activistisch, integendeel. Bidden is de belangrijkste taak in het Koninkrijk, en het is net zo hard werken als het land bewerken. Dat dienen vraagt je hele leven – daar is geen deeltijd bij. Stel je voor: een slaaf met een prikklok!

Ja maar, is dat allemaal niet vreselijk onbarmhartig en hard? Nee, juist niet. Het is goed nieuws dat we niet bij God op de loonlijst staan, zodat Hij met ons kon afrekenen we weer verder konden. Hij staat niet bij ons in het krijt. Het is andersom: wij staan bij Hem in het krijt. We schieten in alle dingen tekort. Vergeef ons onze schulden, dat blijft over. Gelukkig handelt God niet zakelijk met ons, maar nota bene: we mogen bij Hem in huis zijn en dat is genoeg. Hem dienen is niet iets verdienen.

Als je terugkijkt op de achterliggende tijd: stel je eens voor dat je het zelf had moeten verdienen? Het is genade alleen!

Toch lijkt het wel onvriendelijk, al krijgt die slaaf dan onderdak, maar altijd zo zwoegen. Maar bedenk dan dat er een Zoon was die zich als een slaaf wilde laten behandelen. Dag en nacht diende Hij zonder rust, geregeld had Hij zelfs geen tijd om te eten. Als je ziet hoe Hij wilde dienen en zichzelf gaf tot aan het kruis… voor jou, dan leer je ook dienen. Uit liefde en in de gestalte van Christus. Paulus zegt het zo: mijn ik leeft niet meer, maar Christus leeft in mij. Natuurlijk is er ook nog dat vleselijke, mijn eigen gepruts.

Laten we het maar toestemmen: wij zijn maar onnutte slaven. Beter dat we het zelf ontdekken en toegeven dan dat de Heere het uiteindelijk tegen ons zegt. We lezen immers in Matth. 25 in de gelijkenis van de talenten dat de Heere uiteindelijk de luie en onnutte slaaf bestraft.

Genade

Zo krijgt God alleen de eer. Het is een voorrecht als je dienen mag. En bovendien… Jezus vraagt de discipelen zich voor te stellen of een slaaf die terugkomt van de akker, aan tafel genodigd wordt. Nee, is het antwoord dat Hij verwacht. Maar God nodigt mensen aan Zijn tafel die lang niet genoeg hebben gediend, en die zelfs bij Hem waren weggelopen.

Laten we dan trouw dienen. Hoe zal de Heere ons vinden als Hij terugkomt? Oudjaar bepaalt ons bij de vergankelijkheid van ons leven. Zoek de Heere en leef.

Oorlog op aarde

Openbaring 12:5, Eerste Kerstdag middag

Vraag mensen waar ze aan denken bij Kerst, en je zult vaak het antwoord krijgen: “Vrede op aarde!” In onze tekst echter lijkt het meer op oorlog op aarde.

Gevaar van de draak

Hoofdstuk 12 geldt als het hart van het Bijbelboek Openbaring. Dit boek biedt geen spoorboekje van de geschiedenis, maar wel een overzicht over de héle geschiedenis vanuit het perspectief van God. Daarbij wordt veel uit het Oude Testament aangehaald en samengelezen. Het Bijbelboek is allereerst bedoeld als troost voor vervolgde christenen daar en toen.

Johannes ziet een groot teken, indrukwekkend en belangrijk dus. Een vrouw die bekleed is met de zoon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren. Dat zijn tekenen van macht en waardigheid, maar ook een zinspeling op de Jozefsgeschiedenis. De twaalf sterren verwijzen naar de twaalf stammen van Israël, en tegelijkertijd naar de gemeente van Christus (in hoofdstuk 2 en 3 zijn de zeven sterren de zeven gemeenten).

De vrouw is in barensnood. De toenmalige lezers, thuis in het Oude Testament, wisten direct: dit is vrouwe Sion, de verpersoonlijking van het volk Israël, die in verwachting is van wat God geeft. Het is dus ook Maria. Maar ook heel het volk van God van het Oude en Nieuwe Testament dat hoopt op het heil van de Heere.

Het lijkt echter een verloren zaak, want er verschijnt een grote draak. Hij heeft zo zijn eigen tekenen van waardigheid: hij heeft veel wereldse macht (de beelden stammen uit het Bijbelboek Daniël). Hij positioneert zich om het kind te verslinden. Het is de aloude vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang (Gen. 3:15), de vijandschap van de heidenen die tegen Gods Gezalfde opstaan (Ps. 2). Ze willen niet dat God Koning is en Zijn heerschappij op de aarde vestigt.

Het lijkt uitzichtsloos, totdat God redt. Misschien herkennen we dat wel heel sterk: je kunt geen kant op. Enkel maar hopen op enkel maar God. Dan is de redding nabij. Daarnaast: laten we alstublieft niet vergeten dat er een geestelijke strijd gaande is en dat de vijanden reële vijanden zijn.

Redding van de Zoon

In een flits gebeurt het: de Zoon wordt geboren en weggerukt naar de hemel, naar de troon van God. Het gaat direct van Kerst naar Hemelvaart. Jezus’ leven samengevat is: de satan kreeg Hem niet te pakken, maar Hij is veilig in de hemel. Hij is de Langverwachte, die de satan heeft overwonnen. Niet door list en bedrog of door hem te snel af te zijn. Hij is in de dood geweest en daarvoor heeft Hij diep moeten lijden. Maar in dat alles heeft de satan Hem niet kunnen verleiden om van Zijn koers af te wijken: de wil van Zijn Vader doen.

Hij heeft de kop van de satan vermorzeld. De moederbelofte is vervuld en de strijd beslist. Wat een geweldige troost voor de verdrukte christenen daar en toen, maar ook voor de gelovigen nu. De satan is verslagen. Zijn listen zijn ons niet onbekend. Geloven we dat Jezus Christus werkelijk redt? De geboren Zoon is de Redder!

Bewaring van de vrouw

De vrouw vlucht naar de woestijn. Dat klinkt niet als een bijzonder aantrekkelijke plaats: het is er eenzaam, verlaten en heet. Maar ze moest toch ergens naartoe. Bovendien heeft God er een plaats voor haar gemaakt, en dan is het goed. Liever met God in de woestijn dan zonder God in wat een paradijs lijkt. De vrouw is er veilig voor een bepaalde periode. In de symbooltaal van toen wordt er gezegd: het is nu wachten op het laatste, het finale oordeel van God over deze wereld.

Tot die tijd is het een kwestie van volhouden. Voor de vervolgde christenen in de eerste en tweede eeuw. Maar ook voor ons nu. Bij alles wat er afgebroken wordt en aangevochten wordt: volhouden. Houdt wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.

Zullen wij eens met Hem als koningen heersen, of behoren wij tot degenen die zich laten betoveren door de verleidingen van de draak?

Het geboortebericht

Lukas 2:11, Eerste Kerstdag ochtend

Als er een kindje geboren is, sturen de trotse ouders een geboortekaartje naar familie, vrienden en bekenden. Natuurlijk werd er bij de geboorte van de Heere Jezus geen kaartje verstuurd – maar er kwam wel een geboortebericht!

Geboorte

Maria wist tevoren al dat het kindje een jongetje was. Niet door een echo, maar door goddelijke openbaring. Het was bovendien niet alleen een jongetje, maar Gods eigen Zoon! Ook de naam was tevoren al bekend. Zo volvoert God Zijn plan.

Het lijkt alsof Maria maar een klein radertje is in het grote wereldgebeuren. Met Jozef moet ze naar Bethlehem, de stad van de familie, omdat keizer Augustus een volkstelling wil houden. Niet voor de aardigheid, maar om de belastinginkomsten op te voeren. Bij zo’n volkstelling ging het er niet zachtzinnig aan toe! Jozef en Maria komen in beweging – maar uiteindelijk is het niet de macht van Augustus, maar Gods macht die hen in gang zet.

De babykamer is niet veel bijzonders, armoe troef. Een stal, mogelijk ergens bij familie. Wat het ook precies geweest is, het was een armoedige boel. Het geboren jongetje is maar net iets meer dan de beesten, in een voerbak wordt Hij gelegd. Terwijl de mens toch bedoeld is om weinig minder te zijn dan de engelen.

Wie boeit zoiets nu? Tegenwoordig zou je zeggen: er hoeven maar weinig kaartjes gedrukt te worden. En toch: er wordt een engel gestuurd, als heraut van deze Koning!

Proclamatie

De herders hebben nachtdienst: rustig bij de dieren. Opeens schrikken ze zoals ze zelden of nooit geschrokken zijn: een engel, een boodschapper van God. Vergeet die zogenaamd machtige keizer in Rome. Er wordt hier een nieuwe Koning aangekondigd.

‘Redder’ wordt Hij genoemd. Dat roept een beeld op van kracht – maar komt God werkelijk de wereld redden door een baby? Moet Hij, de machteloze en verachte, de machtige Redder zijn? Ja, want zó is Israëls God. Hij is hoog, maar kan ook laag zijn.

Dit is niet te bevatten. Dat geldt ook het teken dat de herders krijgen: dat is eigenlijk ook helemaal niet passend. God doet iets totaal nieuws en onverwachts. Hij komt Zelf! Met recht heet dit ‘grote blijdschap’, ofwel Evangelie.

Horen wij dit ongedachte er nog in? Of is het Kerstevangelie gewoon geworden voor ons? Als niets is wat het lijkt, kan er zelfs in onze duisternis nog een nieuw licht schijnen.

Voor u

Voor wie is dit geboortebericht nu bestemd, aan wie is het geadresseerd? Voor u – dat wil zeggen: voor Israël, heel het volk. Maar het betekent ook: de herders, in dit geval als bijzondere vertegenwoordigers van het volk Israël. Zij waren wel de laagst geplaatsten in de maatschappij, maar juist zo kunnen ze dienen als onderstreping dat God héél het volk opzoekt. En dan worden de eersten de laatsten en de laatsten de eersten.

Zij wij het ook, die ‘u’ uit de tekst? Je kunt met van alles druk zijn, en dan moet Kerst maar rust brengen. Moeten we dan nog weer in beweging komen? Jawel, maar op een heel andere manier: komt, laten wij aanbidden. Alles wat we missen is in de geboren Zaligmaker te vinden!

Nu verkondigen de engelen: voor u geboren. Straks is het: voor u gestorven. En dan: voor u opgestaan, Hij leeft voor u en in u.

Dan hoeven we dus niets mee te brengen of voor te stellen. Jezus laat zich in onze schamelheid neerleggen.

Kraambezoek

Het was geen kwestie van: tevoren even bellen, of: dan en dan is er een kraamfeest. Maar ze komen direct dezelfde nacht, onaangekondigd. Iets wat alleen voor de meest nabije familie mogelijk is, zou je zeggen. Maar de herders komen in opdracht. En bovendien zijn zij naaste familie.

Een kraamcadeau hebben ze niet bij zich; ze komen met lege handen. Maar zij zelf zijn het geschenk. Deze Koning ontvangt Zijn onderdanen.

En dan de kraamvader. Nee, niet Jozef. God de Vader! Als kraamvader besef je heel sterk de kwetsbaarheid van het leven. In de krant lees je opeens allemaal gevaren voor je zoon of dochter. Nergens kunnen ze je zo in raken als in je kinderen. God de Vader gaf Zijn Zoon aan de kwetsbaarheid prijs. Hij laat zich raken in wat Zijn Kind aangedaan zal worden.

Laten wij ook onszelf aan Hem schenken. Geen goud, wierook of mirre. De kou van de nacht zit nog aan ons, en we knipperen tegen het licht. Maar we knielen neer en geloven: ook voor mij geboren!

Het grote oordeel en de eeuwige zegen

Middagdienst 22 dec. 2013

Joël 3:16–17

Het slot van het hoofdstuk 2 van Joël leek zo mooi: Israël bekeert zich, de Heere stort Zijn Geest op hen uit en een ieder de de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden. Maar dan verbreedt de horizon in hoofdstuk 3 naar het uiteindelijke oordeel over deze wereld én naar de vrede die God schenkt.

Oordeel

De volken worden verzameld in het dal van Josafat (hier als symbolische naam bedoeld: de Heere oordeelt). Ze moeten aantreden en zo sterk mogelijk voor de dag komen, klaar voor de oorlog.

Waarom daagt de Heere de volken zo uit? Omdat ze zich onmenselijk wreed hebben gedragen tegenover Israël: ze hebben krijgsgevangenen verdeeld en kinderen verhandeld. De Heere vergeldt het zó dat ze zelf zullen zien hun kinderen worden meegenomen.

Is dat allemaal niet al te oudtestamentisch? Oog om oog, tand om tand? Let er wel op dat niet Israël zelf dit doet, maar de Heere, de Rechter van de hele aarde. Laten we niet vergeten dat de Heere eens recht zet wat er op deze aarde allemaal krom is gemaakt. Onze tekst spreekt van de Heere als een brullende leeuw; wie zou dan niet vrezen?

Israël wordt behouden, maar niet omdat er op Israël niets aan te merken zou zijn, maar omdat God Israël genadig is en Israël zich bekeert tot de levende God. Gods vijanden vergaan, omdat ze weigeren zich te bekeren en hun vijandschap op te geven.

Wat leren wij hier nu uit? In ieder geval dát er reële vijanden bestaan. In een tijd van relativisme kun je zomaar gaan denken dat het allemaal niet zo veel verschil maakt. Er zijn machten in deze wereld die tegenover God staan, en dat gaat op leven en dood.

Vervolgens leren we er van dat God deze vijanden compleet overwint. In de opstanding van Jezus Christus blijkt het kwaad niet het laatste woord te hebben in deze wereld. Op de jongste dag zal dat definitief blijken.

Ten derde leren we er van dat het nodig is dat wij zelf ook gered worden. Dat we niet volharden in vijandschap jegens de Heere, maar dat wij Hem integendeel te voet vallen.

Vrede

God brengt de geschiedenis ten einde. Dat op zich is al goed nieuws. Het is geen eindeloze cirkelgang van telkens hetzelfde – het gaat ergens naartoe.

In dat alles beschermt God Zijn volk Israël. Zijn uitverkoren volk is het, onverdiend. Jeruzalem zal de heilige stad zijn waar het allemaal gebeurt. Hoe kunnen onheilige mensen daar wonen? Enkel door God genade.

Let er op dat er sprake is van overvloed van wijn en melk, dat wil zeggen van de vreugde en van de noodzakelijke voeding. Het drupt zo van de bergen. De Heere voedt Zijn volk. Het kan niet op, want er stroomt een onuitputtelijke bron vanuit de tempel, de plaats van Gods heiligheid. Juda gaat niet ten onder, maar er is een eeuwige toekomst voor Gods volk in Gods stad. De Heere woont in Sion te midden van Zijn volk.

Het grote geheim, het midden, van dit alles is Gods genadige vrijspraak van Zijn volk.

Nu zou je je wel kunnen afvragen of dit allemaal niet rijkelijk oudtestamentisch is, zowel het oordeel (die mensen vergaan) als de zegen (in aardse kleuren geschilderd, voor het volk Israël). Maar laten we niet vergeten dat het Nieuwe Testament ook – en nog dieper – over oordeel en zegen spreekt. Een nog scherper oordeel, de toorn van het Lam. Maar ook een diepere vrede, waarin God bij de mensen woont (Openbaring 21:3–4). Niet alleen de stad wordt vernieuwd, maar ook de aarde en de hemel. Er komt een heel nieuwe toekomst!

Dit alles is in Christus vervuld. Wie in Hem is, is al een nieuwe schepping. Hij maakt dit alles heerlijk waar. En dan is het óók goed nieuws dat de vijanden van God vergaan. Dat betekent namelijk: bevrijd worden van de zonde, van de satan en van alles wat duister is en fout.

Ten slotte zien we dus dat er maar twee bestemmingen zijn van het menselijk leven: of altijd bij de Heere zijn, of altijd zonder Hem. Waar zullen wij zijn? Dat is een geweldig ernstige vraag, die we niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. Enkel in Christus vinden we het antwoord, omdat Hij het oordeel op Zich wilde nemen.

Laat heel de schepping Israëls God loven!

Middagdienst 8 dec. 2013

Ps. 148:13–14

God loven – wat is dat eigenlijk? Heeft de Heere er wat aan, of gaat het enkel om ons gevoel, of…?

De Hoogste loven

De psalm is zo ingedeeld, dat in vers 1–6 de Heere vanuit de hemel geloofd wordt, terwijl in vers 7–12 Hij vanaf de aarde geloofd wordt. De hemel is hoger dan de aarde. Binnen beide sferen wordt nog een indeling aangebracht van wie hoger is en lager. Vaak kunnen wij daar maar moeilijk tegen: iedereen is toch gelijk? Hoe kan de ene mens nu hoger geplaatst zijn dan de ander? Laten we maar gewoon doen. Het gaat toch niet om je positie, maar het gaat toch om relaties – zeker als het om de levende God gaat?

Toch spreekt de Bijbel op deze manier. Onze (mogelijke) gevoeligheid op dit punt verraadt dat we hier misschien wel erg veel te leren hebben. Terwijl christenen op andere plaatsen in de wereld doorgaans niet zo veel moeite hebben met autoriteit, kunnen wij Westerlingen er vaak maar moeilijk mee omgaan.

Heel de schepping doet mee met de lof op God. Die schepping zit op een bepaalde manier in elkaar. Dat bedoelt de psalmdichter niet cynisch: “zo is het nu eenmaal en er valt niets aan te veranderen”. Alsof het bij de normale orde zou horen dat er nu eenmaal armoede is en dat mensen worden vertrapt. Voor Jakobs God is dat niet normaal, maar is dat reden om in te grijpen (zie Psalm 146).

Let wel: het gaat hier om Gods orde. Hij is het die de hemellichamen een plek heeft gegeven. Hij heeft ze namelijk geschapen. Onder andere volkeren werden de hemellichamen geregeld als goddelijk gezien, maar Israël weet dat de levende God over hen regeert.

Waar komt de mens voor in dit verhaal? Helemaal aan het eind. In het licht van de hele schepping beseffen we onze kleinheid. Tegelijkertijd is de mens de opperzangmeester van het geheel.

Hoe zit het met ons? Loven wij de Heere ook al, en loven we Hem al zó? Om Wie Hij is, allereerst. Zijn Naam is hoogverheven. Maar ook om wat Hij geeft.

Hij verhoogt de hoorn

God wordt verheerlijkt door Zijn volk; Zelf verhoogt Hij Zijn volk. Dat de Heere de hoorn van Israël verhoogt, betekent dat Israël het redt en betekent het oordeel over de vijanden (zie Psalm 149). Dat is genade, uiteindelijk ook voor de volken. Zie maar wat er gebeurt onder het Nieuwe Testament. Zacharias zingt ervan dat de Heere de hoorn der zaligheid heeft opgericht. Daarmee doelt hij op de geboorte van de Messias, de Christus.

Uiteindelijk overwint de Heere: de schepping wordt niet aan de chaos overgegeven. De orde wordt hersteld, Gods genade geschonken.

De HEERE geneest

Ps. 147:3, ochtenddienst 8 dec. 2013

In de kerk gaat het vaak over onze zonden, maar behalve onze zonden zijn er ook wonden. En als de Heere redt, redt Hij de hele mens.

Wonden

Vers 2 spreekt over de verdrevenen van Israël, de ballingen dus. Als er iets traumatisch was, dan dat: de tempel verwoest en de dienst van de Heere (naar het leek) beëindigd. Wat een wond van het volk daar en toen!

Tegenwoordig zijn er nog wonden, in allerlei soorten en maten. Zo af en toe voel je ze heel scherp en fel. Onze tekst spreekt over gebrokenen van hart. Mensen dus, die diep verwond zijn. Tot in hun hart. Soms vanwege de zonde, soms vanwege wat anderen deden, soms vanwege wat je zelf deed.

Het is allemaal niet zo mooi. En toch begint en eindigt met ‘Halleluja’! Hoe is dat mogelijk?

Genezing

Het gaat tegen onze intuïtie in om bij zorgen Gods lof te zingen, maar laten van broeders en zusters die veel moeten lijden in deze wereld maar leren dat juist de lijdende kerk de lofzang gaande houdt.

Moeten onze wonden dan niet eerst genezen worden? Ze moeten zeker genezen worden, maar het is de vraag of dat nodig is voordat we Gods lof zingen. Hoe dan ook is het nodig dat we onze wonden aan de Heelmeester tonen. Waar doet het pijn in ons leven? En dan niet blijven klagen, maar op zoek gaan naar genezing. Dat valt nog niet zo mee. Wees maar eens zwak en afhankelijk!

Het Heilig Avondmaal is in zekere zin een medicijn. Tegen somberheid en bitterheid, tegen moedeloosheid ook. De HEERE is die God die Jeruzalem herbouwt, zelfs als het in puin ligt. Er valt wat te hopen.

Genezer

Het is wel van het grootste belang dat de we de Heere vertrouwen als Genezer. Het resultaat van het medicijn is immers lang niet altijd direct meetbaar. Integendeel. De HEERE bouwt Jeruzalem op, maar het lijkt wel steeds minder te worden met de christelijke kerk. Toch gaat de Heere door en heeft Zijn gemeente de toekomst. Hij is namelijk de Schepper van hemel en aarde. In deze psalm wordt Gods scheppingsmacht bezongen, om te onderstrepen dat bij Hem heil te vinden is. Zó leer je pas echt verstaan wat het betekent dat de Heere de Schepper is.

De Heere hoort zelfs het gekras van de jonge raven, als zij roepen. Dat is werkelijk geen gehoor. Als de Heere hen al hoort, zou Hij ons ook niet horen? Kijk eens naar de Heere Jezus Christus, die zichzelf wilde geven. De Man van smarten, onze krankheden op Zich genomen – en juist zo is Hij hét medicijn.

Wij zullen de Heere dienen (Joz. 24:14–15)

Middagdienst 17 november 2013

Kiezen valt niet mee, met name als het een belangrijke keus is! Jozua kiest nadrukkelijk voor de dienst van de Heere, mét zijn familie.

Wat dit uitsluit

Jozua is ouder geworden, kijkt terug. Dankbaar, maar ook met de nodige zorgen over het volk. Hij roept de oudsten samen om in Sichem het verbond met God te vernieuwen. In wat hij zegt, komt uit wat er allemaal uitgesloten wordt als je de Heere wilt dienen.

Andere goden

Of het nu de goden van Egypte zijn (die ze eerder gediend hadden), de afgoden die ze in de woestijn hadden proberen vast te houden, of de goden van de Amorieten in het nieuwe land waarin ze gekomen waren: ze moeten vaarwel gezegd worden. De goden van het verleden en van het heden zijn enkel afgoden. Alleen Israëls God is de Levende.

Later zou de Heere Jezus het zó zeggen: zoek eerst het Koninkrijk van God, en alle dingen die je nodig hebt, krijg je erbij (Mt. 6:24–34).

Eigen verdienste

Ook eigen verdiensten zijn uitgesloten. Jozua heeft de oudsten de geschiedenis voorgehouden. Dat is één relaas van Gods niet aflatende trouw aan Zijn volk. Bovendien: als de Heere je geeft wat je verdient, kun je niet voor Hem bestaan (vs. 19). Het is genade voor en genade na.

Eigen vrije keus

Onze tekst wordt vaak verkeerd gelezen, alsof aan het volk een open keus wordt voorgelegd tussen de Heere dienen en de afgoden dienen. Integendeel, het is de bedoeling dat ze de Heere zullen dienen, maar als ze dat niet doen, maakt het ook niet meer uit wat ze kiezen. Het is geen open keus, omdat de Heere de eerste is!

Wat dit insluit

Gezin

“Ik en mijn huis” = de hele familie. Dat zegt Jozua als clanoudste. Tegenwoordig beslissen ouders minder gemakkelijk voor hun kinderen, hoewel we niet moeten onderschatten welke invloed we op onze kinderen hebben. Ouders hebben een grote verantwoordelijkheid. Belangrijker nog: de Heere werkt verbondsgewijs; Hij adopteert ook in Zijn gezin.

Genade

Vóór de keus van Jozua staat de keus van God. Voor Israël, voor Jozua en voor zijn gezin. Leren leven van genade is moeilijk en het leren spreken van de taal van de genade valt niet mee. Maar het is wel zegenrijk.

Gehoorzaamheid

Alleen in onze beide tekstverzen is al zeven keer sprake van ‘dienen’. Het gaat er om dat we ons leven, ook ons gezinsleven, inrichten naar het gebod van God. Dat gebod is niet zwaar, ook niet enkel maar discipline, maar het is juist een liefdedienst.

Jozua durfde alleen te staan: als verspieder al, maar desnoods ook nu. Wie het volk ook kiest, hij wil de Heere dienen. Hij volhardt in gehoorzaamheid.

Drie bezwaren weerlegd

17 nov 2013, ochtenddienst

De leer van de rechtvaardiging van de goddeloze roept altijd allerlei weerstanden op – niet alleen bij mensen buiten de kerk of onbekeerlijke mensen, maar ook bij Gods kinderen. In Zondag 24 worden er drie zulke bezwaren weerlegd.

Dragen onze goede werken dan niets bij? (vr. 62)

Het is toch niet onverschillig wat we doen? Anders zouden in het donker alle katjes grauw worden. En goed, misschien kunnen we dan niet de hele zaligheid verdienen, maar mogelijk kunnen we toch wel een kleine eigen bijdrage leveren, hoe symbolisch ook.

Het punt is: daarmee belanden we op een principieel verkeerd spoor. We denken dat er iets positiefs is dat wij kunnen bijdragen, maar dan peilen we nog niet hoe de zonde is doorgegaan tot in onze beste werken, en dat het hier niet gaat om dingen die voor de mensen wel goed lijken, maar om wat voor Gods gericht staande kan blijven.

Onze beste werken en onze beste gebeden zijn dus niet goed genoeg om ook maar iets bij te dragen aan onze rechtvaardiging. En het ontbreekt ons vaak aan ontdekking van onze schuld om dat eerlijk toe te geven.

Tegelijkertijd is het écht goed nieuws: omdat we er niets aan bij kunnen dragen, hoeven we er ook niets aan bij te dragen. Het is genade alleen!

Maar verdienen onze goede werken dan geen beloning? (vr. 63)

De Bijbel spreekt immers over beloning? Zie Gen. 15:1, Ps. 19:12, Mat. 5:12, Opb. 22:12. De HC ontkent ook niet dat God de goede werken beloont. God doet dat niet alleen ná dit leven, maar ook al ín dit leven. Wél ontkent ons leerboek dat deze beloning een kwestie van verdienste zou zijn. Het is daarentegen genade. Zelfs al zouden we volmaakt Gods geboden houden, dan zouden we nog niets verdienen. “Wij zijn maar onnutte dienstknechten”. Goede werken zijn ook helemaal geen vrucht van onze eigen akker, maar vruchten van het werk van de Heilige Geest. Zonder de Heere kunnen wij niets doen.

Word je daar niet zorgeloos en goddeloos van? (vr. 64)

Die vraag verraadt onze houding: als we niets kunnen verdienen, laat het dan maar zitten. Het is de taal van de knecht, van de oudste zoon uit de gelijkenis van de verloren zoon. Het is niet de taal van het kind, dat graag doet wat Vader zegt.

Nee, deze leer maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen. Want dat zijn we van nature al, dat hoeven we helemaal niet te worden.

Bovendien: het is onmogelijk dat iemand die Christus door een waar geloof is ingelijfd, geen vruchten van dankbaarheid zou voortbrengen. Geloof zonder de werken is dood, zegt Jakobus (2:17). Echt geloof brengt altijd vruchten voort. Dus hebben we onszelf te onderzoeken op de vrucht. Maar let op: het zijn niet de vruchten die ons toegang verlenen tot Gods Koninkrijk, maar dat is het werk van de Heere Jezus Christus alleen.

Dankbaar leven

Morgendienst dankdag

Hoelang kan een ‘crisis’ eigenlijk duren? Het woord veronderstelt toch iets korter durends. Maar keer op keer horen we van nieuwe bezuinigingen en wordt het allemaal minder. Of zou het een kwestie van perspectief zijn en is onze ontevredenheid nu juist het probleem?

De schrijver van Spreuken wijst op drie aspecten van het dankbare, tevreden leven.

Blijmoedig hart

Het maakt nogal uit hoe je tegen een situatie aankijkt. Dat is meer dan alleen een karakterkwestie: het heeft met geloof te maken. Nee, dat betekent niet dat van elke situatie wel wat te maken valt. Dit is geen blind optimisme. Er wordt ook onder ogen gezien dat armoede heel erg is. Trek jezelf er maar eens uit, als je de ene na de andere moeite ervaart.

Maar het gaat wel om het perspectief van de vreze des Heeren, het verwachten van Hem. Dat betekent dat je onder ogen ziet dat je geen rechten kunt laten gelden. Het is genade alleen. Dan kun je geregeld wel twijfelmoedig zijn, maar toch niet mismoedig (2 Kor. 4:8).

Wie zo op de Heere vertrouwt, wordt niet beschaamd. Vaak ontbreekt het ons nog wel aan de vreugde van het geloof, het echt blijmoedige. De Heere maakt het leven namelijk het leven waard, ja zelfs een feest. Veel mensen denken helaas nog precies andersom.

Rustig vertrouwen

De wijze Spreukendichter wijst er op dat veel rijkdom vaak alleen maar onrust geeft. Het gaat niet om het materiële in het leven, althans niet allereerst. Het verkrijgen van rijkdom en het behouden ervan geeft veel onrust. Rijke mensen voelen zich onveilig en daar helpt geen argument tegen.

Jezus Christus leert ons, eerst het Koninkrijk van God te zoeken. Naar Hem hebben we dan ook te luisteren en te kijken: kom naar Mij toe, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven (Mat. 11).

Met al onze bezorgdheid kunnen we vaak maar zo weinig uitrichten. Maar uitschakelen kunnen we die bezorgdheid ook niet zomaar. Dat vraagt om rustig vertrouwen op de Heere. De vreze des Heeren is echt het beginsel van de wijsheid, ook van deze wijsheid.

Eenvoudige liefde

De Spreukendichter vergelijkt twee maaltijden. Bij de ene maaltijd komt er maar één pan op tafel. Niet met stamppot met rookworst, maar enkel met groenten. Alleen maar spruitjes. En dan die andere maaltijd, een feestmaal is het: met heerlijk vlees en overvloed. Maar bij die eerste maaltijd is er vrede en liefde, terwijl bij die tweede maaltijd er afgunst heerst. Waar schuif je liever aan?

Niet zonder reden wordt hier het beeld van een maaltijd gebruikt: in het Oude Testament hét beeld van vreugde. Maar zo snel veranderen wij de vreugde in heel iets anders. Daarom moeten we eenvoudige liefde leren, die de ander ziet en aanvaardt. Een tafel waaraan je veilig bent, daarover gaat het hier.

Laat onze overvloed ons niet verblinden, maar laten we met een dankbaar hart wachten op de overvloed die God eens schenkt!

Roemen in het kruis van Christus

Ochtenddienst 27 oktober 2013

Galaten 6:14–15

Waar je in ‘roemt’, is de grond van je bestaan: neem dat weg, en er blijft niets van je over. Paulus roemt in het kruis van Christus.

Niet iets anders

Aan het eind van de brief gekomen, pakt Paulus zelf de pen van zijn schrijver. Hij waarschuwt nog één keer tegen de gevaarlijke tegenstanders. Zij willen goede sier maken, willen niet vervolgd worden en willen bovendien roemen in de besnijdenis van andere mensen. Kortom, ze zijn enkel voor zichzelf bezig, op de manier van deze wereld en ongeestelijk.

Paulus stelt nog eens nadrukkelijk dat besneden-zijn of onbesneden-zijn er op zichzelf niet toe doet. Niet een beetje, maar helemaal niet. Het zijn dingen waar het niet om gaat. Pas op voor mensen die scherpstellen op bijzaken!

Wat hier staat, komt ook voor ons dichtbij. De brief aan de Galaten was niet enkel voor de mensen daar en toen bestemd, maar zelfs Paulus heeft het nodig bewaard te blijven. God verhoede dat hij anders zou roemen dan in het kruis van Christus (vers 14). Eerder had hij dat namelijk wel gedaan. Hij had ook nogal wat om in te roemen; in andere brieven somt hij het op: zijn afkomst, zijn kennis en ijver, de bijzondere genade die hij heeft ontvangen. Maar hij roemt enkel in het kruis van Christus.

Ook voor ons geldt: zo gemakkelijk gaan we roemen in iets van onszelf, onze eigengerechtigheid, Christus plus nog iets.

Kruisiging

Paulus spreekt over het kruis van onze Heere Jezus Christus. Voor ons is moelijk in te voelen wat een afschuw het kruis in die tijd opriep. Als je ergens niet in kunt roemen, dan in het kruis van Jezus Christus. Maar dat was wél de inhoud van Paulus’ prediking: Jezus Christus en die gekruisigd.

De wereld is voor mij gekruisigd, dat wil zeggen: de wereld heeft geen macht meer over mij. Ik ben bevrijd van hoe het volgens de wereld moet en hoort. Wie ik ben, wordt door Jezus Christus bepaald. Niet meer mijn ‘ik’ leeft, maar Christus leeft in mij.

Ik ben voor de wereld gestorven. Ik tel niet meer mee. Dat is sterven. Buitengesloten worden is buitengewoon pijnlijk. De doop die we bediend zagen worden aan Wiljan is teken van sterven met Christus, onttrokken worden aan de machten van deze wereld.

In het gekruisigd worden met Christus komen we er pas echt achter hoe wereldgelijkvormig we zijn. Toch mogen christenen het kruis vrolijk dragen, achter de Heere Jezus Christus aan.

Nieuwe schepping

Het gaat niet om besnijdenis of voorhuid, zegt Paulus, maar om een nieuwe schepping. Zie ook 2 Kor. 5:7, het oude is voorbijgegaan, alles is nieuw geworden. Het Koninkrijk van God begint nu al.

Je zou kunnen zeggen dat de Gekruisigde tussen jou en alles in komt te staan. Tussen jou en je oude ik, tussen jou en de naaste.

Paulus draagt de littekens van de Gekruisigde dan ook als eretekens: hij mocht lijden in de Naam van Jezus Christus.