Rondom de diensten

Maand: december, 2012

Eerste Kerstdag

Alle wegen leiden naar Bethlehem (de stad van David)

‘Alle wegen leiden naar Rome’, zegt het spreekwoord. Rome was namelijk dé wereldstad bij uitstek, de eeuwige stad. Op Kerst blijkt het anders te gaan: alle wegen leiden naar de stad van David. Hoe onaanzienlijk ook, het is wel de plaats van Gods belofte.

1. Vanuit Rome

Rome deelde de lakens uit. Augustus (d.w.z. de Verhevene) was aan de macht. De belasting die aan de hand van de nieuwe volkstelling zal worden ingevoerd, betekent het einde van het laatste restje zelfstandigheid van Israël. Er waren nog wel messiaanse verwachtingen over een koning in de lijn van David die Israël verlossen zou. Maar wie gelooft dat nog?

Zo lijkt Rome te winnen. Maar het is alsof de evangelist zegt: let op wie hier de echte Koning is. De datering “het geschiedde in die dagen” wijst niet op de dagen van Augustus (die slechts in de bijzin wordt genoemd), maar in de dagen waarin God in Juda wat nieuws begon te doen. Zelfs Rome is dienstbaar. De weg loopt van Rome naar Bethlehem.

2. Vanuit Nazareth

In wat Lukas tevoren heeft verteld, valt alle nadruk op het huis van David en de Zoon van David (1:27, 32, 69). De climax vinden we in 2:4 en 11: Jozef moet naar de stad van David en de engelen verkondigen dat de Zaligmaker in de stad van David geboren is. Dat is de vervulling van Micha 5.

De Zoon van David is koningszoon, maar Zijn komst weerspiegelt de situatie van het koninkrijk Israël. Hij komt als een aan lager wal geraakte: in een stal wordt hij in een kribbe gelegd. Er is geen stralenkrans om Zijn hoofd te zien. Als het Woord, het Evangelie, over Hem wordt verkondigd, dán omschijnt de heerlijkheid van de Heere de engelen. Hem zien vraagt geloof, allereerst in de belofte aan Israël. Israël mislukte steeds opnieuw in zijn roeping, maar hier komt een nieuwe bloei van Israël!

3. Vanuit de hemel

God Zélf begeeft zich onder ons. Niet in een vermomming, maar Hij wordt echt mens. Dat is Gods weg: Hij is hoog, maar kan ook laag zijn. Zo keert Hij alles om. Als Hij, de werkelijk Verhevene, zich zo laag onder ons begeeft, ontmaskert Hij al onze hoogmoed en hooghartigheid. God is al zo nederig, maar wat is de mens nog hoog.

Daarmee komt God ons mensen in onze schamelheid nabij. Je treft bij Jezus later dan ook die mensen die hun stand niet meer kunnen ophouden. Zondaren worden gerechtvaardigd. Gods weg loopt naar Bethlehem, uiteindelijk naar het kruis. Om zondaren te redden!

4. Vanuit Efratha

De engel verkondigt de herders dat voor hen de Zaligmaker geboren is in de stad van David. Hier zie je direct welke randfiguren God opzoekt. Herders waren niet in tel en van hun vroomheid moeten we ons maar geen al te mooie voorstelling maken. Het is het Woord van God dat nieuw licht over hen laat vallen en over de oude beloften aan David. Dat vraagt geloof. De herders gaan naar Bethlehem.

5. Vanuit Genemuiden

Als alle wegen op Kerst naar Bethlehem leiden, moet (en mag) dat ook voor ons het geval zijn. Komt laten wij aanbidden die Koning! Juist omdat Hij zó koning is, niet op de Romeinse manier van machtsvertoon en praal. Niet op de oude manier van Israël, die keer op keer mislukte. Maar op de nieuwe manier van het Koninkrijk van God.

Laten we dan in beweging komen om te zien het woord dat er geschied is. Om vervolgens dat woord mee te nemen, uiteindelijk het evangelie van de Gekruisigde.

Advertenties

Zondagmiddag 16 december

Evenwicht

Lezen: Exodus 16:15–18 en 2 Korinthe 8:1–15

Tekst: 2 Korinthe 8:14–15

In deze tekst lijkt het om het grote nivelleren te gaan. Toch is dat niet helemaal het punt.

Gods zorg

In Exodus 16 lezen we dat iedereen verschillende hoeveelheden verzamelt, en toch heeft ieder genoeg. Dat doet God (sommigen denken: met een wonder). Hoe dan ook is de les: God vergeet je niet, maar Hij weet wat ieder nodig heeft.

Ook in 2 Korinthe 8 gaat het allereerst om de zorg van God en niet om ons nivelleren. Paulus is bezig met een collecte voor de christenen in Jeruzalem. De christenen in Macedonië, zelf arm, hebben aangedrongen om mee te mogen doen. Want het is genade als je mag geven! Dat zie je vooral in Jezus Christus, die rijk was maar arm wilde worden om zondaren rijk te maken (2 Kor. 8:9).

Het begint dus allemaal met het besef dat we geen bezitters zijn, maar ontvangers (1 Kor. 4:7). Waar dat ontbreekt, wil je niet delen, maar waar dat besef doorbreekt, wil je ook doorgeven van wat de Heere gaf. Daarom gaat het hier dus ook niet om een simpele gelijkheid, een optelsom, maar om evenwicht, om billijkheid.

Wie aan de Avondmaalstafel was, zegt het hopelijk mee dat de Heere niet teleurstelt, maar dat Hij in rijke mate schenkt. Misschien missen voor ons gevoel wel veel – wat is het dan nodig om het van Gods zorg te verwachten!

Onze zorg

Tegen de achtergrond van Gods gave (van het manna en van Christus) wordt het ook een opgave. In het Oude Testament is God het die zorgt dat er evenwicht ontstaat. In het Nieuwe Testament doet Hij dat nog, maar wel door de dienst van mensen. Wij worden ingeschakeld in het geven.

Bij dat geven gaat het niet om een langetermijninvestering (die Jeruzalemse, Joodse christenen zullen niet terug kunnen betalen), maar wel om delen. De christenen uit de heidenen hebben zoveel van het Joodse volk mogen ontvangen, dat ze nu ook wat mogen geven. Paulus is ook niet zomaar een fundraiser, maar hij is een apostel: het gaat het om het geestelijk welzijn van de gemeente.

Dat betekent niet dat je de Korinthiërs arm moeten worden en de Jeruzalemmers rijk. Er mag evenwicht zijn. Maar dan niet als een bloedeloze rekensom, maar vanuit de liefde tot God en tot de naaste. Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Het kan toch eigenlijk niet anders, als je terugkomt van de Avondmaalsviering, dat je concreet gaat geven. Niet alleen van je geld (dat woord noemt Paulus trouwens niet eens, in de hele hoofdstuk). Maar ook van tijd en aandacht. In de navolging van Christus die Zichzelf wilde geven.

Vragen

  1. Wat betekent dat ‘geven’ nu concreet voor u/jou? Wat kun je geven? Wat ben je bereid te geven?
  2. Stelling: iemands bestedingspatroon verraadt wat er in zijn hart leeft. Eens of oneens? Indien eens: wat zegt uw bestedingspatroon dan over uw hart? Indien oneens: wat zegt je bestedingspatroon dan?
  3. Wat zou ‘evenwicht’ in onze tijd betekenen voor de verhoudingen tussen Noord en Zuid in de wereld? Moeten we toch niet op een bepaalde manier nivelleren om aan hieraan te voldoen?

Dit is het brood…

Dit is het brood

Zondagochtend 16 december

Lezen: Johannes 6:47–59

Tekst: Exodus 16:15b: Dit is het brood, dat de HEERE u te eten gegeven heeft.

Als je iemand brood geeft, geef je geen luxeproduct, maar iets noodzakelijks. Luxe is het dan ook niet, wel een wonder, dat God brood uit de hemel geeft.

Gever

De Heere God, niet Mozes, geeft het brood uit de hemel. De Israëlieten leken Mozes al met God te verwarren, maar in Johannes 6 is het nog eens nodig om te benadrukken dat niet Mozes, maar God het brood uit de hemel gaf. Kennelijk schrijven wij mensen de dingen snel toe aan andere mensen, niet aan de levende God.

In het manna gaat het om het dagelijks brood, want God is de God van vandaag, zo hoorden we de vorige keer. Laten we er nu ook op letten dat dit brood uit de hemel door Christus op zichzelf betrokken wordt—of liever, dat Hij de vervulling ervan is. Hij is uit de hemel gekomen als het Brood dat leven geeft.

Hier blijkt Gods genade. Niemand zit op dat Brood des levens te wachten, maar Hij geeft het toch. Er is alom verzet tegen Hem, en mensen lopen bij Hem weg. Toch blijft Hij het Brood des levens, en blijft Hij zich aanbieden. Het ligt, kortom, niet aan de Heere: Hij is bereid te geven. Maar willen wij ook ontvangen?

Ontvangen

Ontvangen lijkt niet zo erg moeilijk: je hand ophouden en dat is het dan. Toch is het voor ons vaak wél uitermate moeilijk, omdat we zo moeilijk kunnen vertrouwen—en vooral God moeilijk kunnen vertrouwen. Daar is de Geest voor nodig.

Toch is het in de grond van de zaak eenvoudig (het ingewikkelde brengen wij er zelf in). De Israëlieten moesten gaan, en wij moeten ook gaan. Zij moesten het brood oprapen, dichtbij, en zo eenvoudig is ook de handeling in het Avondmaal. En dan eten: proeven dat de Heere goed is.

Is het echt zo eenvoudig? De Heere Jezus zegt zelf: komt tot Mij, en wie tot Mij komt, die stuur ik niet weg (Mat. 11 slot). Zeker: het is wél de trekkende liefde van de Vader (Joh. 6:44–45) die het doet, maar dat neemt onze verantwoordelijkheid nog niet weg.

Wat een verwondering bij die Israëliet, en hopelijk ook bij ons: dit brood betekent leven!

Om te leven

Wat is leven eigenlijk? Je kunt daar heel technisch naar kijken: als je ademhaling en dergelijke het doen, dan leef je. Maar leven is meer. Meer ook dat je begeven in deze wereld en een beetje vriendelijk zijn voor elkaar.

Leven is Jezus Christus eten, je met Hem voeden. Dat leven is er door Zijn dood. Zoals graan eerst vermalen moet worden om uiteindelijk meel te worden en als brood gegeten te kunnen worden, zo is Christus de dood ingegaan om het leven te schenken.

Het Avondmaal is voedsel ten eeuwigen leven. De mens leeft namelijk niet bij brood alleen. Het is erg als we niet willen leven, of als we de naam hebben dat we leven, maar we zijn dood. De Heere reikt het brood aan, opdat we zouden leven.

Abonneren?

Een e-mail ontvangen als er een nieuw bericht op dit weblog staat? Klik dan op deze link. U komt bij een Engelstalig formulier waar u uw mailadres kunt invullen. Daaronder moet u een tekst overtikken en op ‘Complete Subscription Request’ klikken.

Vloek & zegen in het kruis van Christus (9 dec. middag)

Vloek en zegen in het kruis van Christus

Zondagmiddag 9 december

Lezen: Galaten 3:1–18; HC v&a 38–39

Kerntekst: Galaten 3:13, ‘Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.’

Het gevaar bestaat dat we zo gewend zijn aan de boodschap van het kruis en de Gekruisigde, dat we niet meer horen hoe aanstootgevend het is: een executiemiddel.

In deze leerdienst in Adventstijd willen we nadrukkelijk aandacht schenken aan de lijnen vanuit het Oude Testament naar het kruis als vloek en zegen.

Vloek

Paulus’ tegenstanders in de brief aan Galaten waren niet alleen maar mensen die meenden dat ze door het houden van de wet hun zaligheid konden verdienen. Wel waren het mensen die overtuigd waren van de voorrechten van het Joodse volk, en de besnijdenis die daar bij hoorde, als de weg waarin je bij God hoorde.

Paulus gaat daar op in, niet door de wet af te waarderen, maar door er op te wijzen dat Abraham de Thora nog niet had, maar op de wijze van het geloof toch rechtvaardig was. Kind van Abraham ben je dan ook niet door de besnijdenis, maar door het geloof.

Belangrijker nog: de Thora eist complete gehoorzaamheid, anders val je onder de vloek. De wet heeft namelijk twee kanten: zegen en vloek. En die vloek geldt als je de wet niet volmaakt houdt. Daarom kunnen wij de wet niet zomaar gebruiken als een manier om bij God te horen—die wet veroordeelt ons namelijk.

Nu wilde Christus een vloek worden voor zondaren. Dat betekent onder andere:

  • Hij laat de uiterste consequentie zien: Hij hield de wet volmaakt, en juist de vroomste mensen wilden Hem kruisigen;
  • Het kruis als ontmaskering: van onze beste bedoelingen als volstrekt onvoldoende en dubbelzinnig;
  • Het kruis als omkering: de Gezegende hangt daar vervloekt. Wat zegt dat dan over ons?
  • Het kruis als ontdekking: zo diep steekt de zonde! Zelfs in mijn beste werken.

Zegen

Waarom werd Jezus een vloek? Vs 14 Om de heidenen te laten delen in de zegen van Abraham en de belofte van de Geest! Toegang tot God en Zijn genade is er dus niet door de besnijdenis maar door het geloof.

Het kruis betekent een streep door onze prestaties. Overal in de wereld moet je presteren, wil je er bij horen. Wat dat betreft keren we terug naar de Romeinse samenleving, die winnaars bewonderde en verliezers nog meer vernederde. Toon geen zwakte!

Maar nu komt God in ons midden als een zwakke. Hij laat Zich kruisigen, is bereid de grootste Verliezer van deze wereld te zijn—en juist zó te overwinnen! Zijn Koninkrijk staat daarmee haaks op dat van Pontius Pilatus, die zijn gezicht en macht probeert te redden, maar juist zo de grote verliezer blijkt te zijn. Wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen.

Het kruis betekent dus niet dat ik bij de Heere de een of andere prestatie moet leveren, maar dat Hij me wil aanvaarden door genade. Hij neemt mijn vloek, ik ontvang Zijn zegen. Vandaar dat Paulus roemt in het kruis (Gal. 6:14)

Vragen

  1. Welke troost ligt er in de wonden van de Heere Jezus Christus?
  2. Hoe kunnen we voorkomen dat we zo aan het evangelie van het kruis wennen dat we het aanstootgevende en bevrijdende ervan niet meer horen?
  3. Wat betekent voor u/jou de ‘vloek van de wet’? Heb je daar wel eens iets van gevoeld? Zou dat moeten? Wat is er aan te doen?

Manna toen en nu (9 dec. ochtend)

Manna, toen en nu

Zondagochtend 9 december 2012

Lezen: Exodus 16:1–15 en Johannes 6:30–43

Tekst: Exodus 16:4–8

Brood is nodig, broodnodig. In het Onze Vader bidden we er om: ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’. Maar waar bidden we dan eigenlijk om? Zouden we tevreden zijn met enkel droog brood? En dan: is het genoeg als we brood hebben? Het punt is dat we in de gave de Gever herkennen. Zo gold het ook voor de Israëlieten in de woestijn.

1. Protest

De Israëlieten zitten er doorheen. Wéér een woestijn en wéér gebrek. Wat heeft het allemaal voor zin? Waren ze maar omgekomen!

Er ontstaat een nieuw protest. Tegen Mozes en Aäron gericht (alsof zij verantwoordelijk zijn voor de uittocht) en uiteindelijk tegen de Heere zelf. Het is de uitdrukking van een totale crisis: ze weten niet hoe het verder moet en waarom ze eigenlijk nog leven.

Nu is dit al het tweede protest. De eerste keer had de Heere hen geholpen met het gezond maken van het water. Het is een wonder van Gods geduld dat Hij opnieuw genadig voor het volk zorgt. Hij geeft genadig brood uit de hemel.

In de Adventstijd gaat het om de komst van Jezus Christus. Hoewel het lied anders zingt, was er geen ‘wereld die Hem verwacht’. Hij komt Zelf als het Brood des Levens, maar dit brood roept nota bene protest, gemurmureer op (Joh. 6). Dat tekent hoe diep het verzet tegen Jezus Christus in ons hart zit. Wij willen ander brood.

Ter voorbereiding op het Avondmaal vragen we ons af of we dit hemels brood wel willen. Of we gevoed willen worden ten eeuwigen leven. Gelukkig hangt het niet zozeer van onze wil af als wel van Gods genade.

2. Proef

De Heere geeft het manna als een soort test (vs. 4). Een test namelijk of Israël de wet (de Thora) zal houden. Bedenk dat de Tien Geboden nog niet gegeven waren.

Wat is dan de gehoorzaamheidstest? Het dagelijks karakter van het brood: dat vraagt vertrouwen. De bijzondere orde van de sabbat (voorafgaand daaraan was er een dubbele portie manna) ordent de tijd. Deze wekelijkse orde ligt niet in de natuur, maar is een zaak van Gods genade.

Bovenal leert deze proef de Israëlieten wie God is. Hij is niet de God van een ver verleden of van een droom over de toekomst. Hij is de God van vandaag, die vandaag te eten geeft en vandaag gehoorzaamd en geliefd wil worden.

Een belangrijke vraag voor de week van voorbereiding is of we de Heere ook zo kennen: de God van vandaag? Wie zich aan de tafel wil laten voeden, zal zich dagelijks voeden met het Brood des Levens, Jezus Christus. Dat blijkt overigens ook in het houden van Gods geboden—die zijn niet zwaar, maar vormen een pad van licht om te gaan.

Houden wij de sabbat? In die zin dat de tijd geheiligd wordt, doordat het eerste voor de Heere is en het met rust begint? Daarmee wijden we onszelf helemaal aan de Heere.

3. Voedsel

Uiteindelijk wijst het manna naar God zelf. Voordat Israël ontvangt, verschijnt dan ook de heerlijkheid van de Heere. Het volk stelt zich op als voor een openbaring. God laat Zich kennen.

In het Nieuwe Testament gaat de openbaring van Jezus Christus nog dieper. Hij was niet het antwoord op onze vraag. Zijn antwoord roept integendeel nieuwe vragen en bezwaren op. Wij mensen hebben Hem weg gedreven naar het kruis.

Hij is het Brood dat leven geeft. Laten we ons dagelijks met Hem voeden. Vooral aan de Avondmaalstafel bevestigt Hij het: ‘Ik voor u daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven’.