Rondom de diensten

Maand: juni, 2013

Terug naar de kern

Nabetrachting Heilig Avondmaal, 9 juni 2013 middagdienst

Galaten 3:1–5

Paulus vaart nogal uit tegen de Galaten: “uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd?” Past zo’n tekst wel bij onze nabetrachting op het Heilig Avondmaal? Juist wel, omdat deze tekst ons opnieuw bij de kern bepaalt, waarnaar we telkens weer terug moeten.

De Gekruisigde

Met nadruk stelt Paulus dat hij Christus als de Gekruisigde voor ogen heeft geschilderd (d.w.z. openlijk verkondigd). En waar het gaat over de Gekruisigde, zo hebben we uit Gal. 2:19–20 geleerd, daar moeten al onze zelfverbeteringsprogramma’s er aan, gaat er een streep door ons streven en begint Christus in ons te leven. Dat is een hoogst ernstige zaak, want verderop in dit hoofdstuk legt Paulus uit dat het kruis van Christus betekent dat Hij een vloek is geworden voor ons (vs. 13). Dat wilden de dwaalleraars vergeten met hun stelling dat er iets bij het Evangelie moest, of dat je enkel door het houden van de Torah bij God kon horen. Maar het kruis is geen detail en ook geen aanloop: het kruis van Christus betekent dat er geen andere manier is om bij God te horen dan door de Gekruisigde. Vandaar dat Paulus in een andere brief schrijft dat hij zich had voorgenomen (d.w.z. hij had het besloten) om niets te verkondigen dan Jezus Christus, de Gekruisigde (1 Kor. 2:2).

Het Avondmaal leert ons dat er een streep gaat door onze eigen verdiensten en gedachten, en we alleen genade overhouden. We kunnen niet roemen in onszelf of in de Wet, maar alleen in het kruis van Jezus Christus (Gal. 6:14). Een beter christen word je dan ook niet door het houden van allerlei verschillende rituelen, maar door te sterven aan jezelf en met Jezus Christus op te staan.

Het geloof

Paulus zegt, een beetje plagend haast, dat hij maar één vraag wil stellen. Als mensen zoiets zeggen, zijn ze meestal tamelijk zeker van hun zaak. Straks gaat Paulus de Bijbel er bij nemen (vs. 6–14) aan de hand van Abraham, maar hier is er slechts de vraag, hoe ze de Geest hebben ontvangen.

Door de Wet misschien? Nee. De Wet doet wel verlangen naar de Geest, maar de Wet is niet meer en niet meer dan het teken van het horen bij het verbond dat God met Israël gemaakt heeft. Hoewel de Wet zelf heilig is en goed, werkt ze feitelijk veroordelend: vervloekt is wie niet blijft in al hetgeen in het boek der Wet staat, om dat te doen (vs. 10).

Ze hebben de Geest ontvangen door het geloof. Door te vertrouwen in de Heere Jezus Christus. Zie 2:20 “En hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God”. D.w.z. door het geloof in de Zoon van God.

Niet door de Wet, maar door het geloof. Anders gezegd: niet door werken, maar door het gehoor, door te luisteren. Het geloof is uit het gehoor. Die houding past bij de Gekruisigde: enkel ontvankelijkheid. Die houding past ook bij het ontvangen van het sacrament van het Heilig Avondmaal: enkel maar ontvangen. Dat is niet enkel iets voor het begin van het geloof, maar het is het wezen van het geloof. Het Avondmaal oefent je in het blijven bij de Gekruisigde Christus en niet alsnog je eigen vrome werkelijkheid op te bouwen.

De Geest

Kennelijk gaat het hier om de Geest als de Geest van de Gekruisigde, zo verbindt Paulus beide aan elkaar. Die Geest hebben de Galaten ontvangen. Kennelijk is het geen vraag óf ze de Geest hebben ontvangen. Paulus gaat daarvan uit. Het bleek ook uit de tekenen en wonderen die ze meemaakten.

Hoe ligt dat bij ons? Voor velen van ons is het een vraag of we daadwerkelijk de Geest hebben ontvangen. En wonderen en tekenen nemen we niet waar in ons leven. En toch: het is vol wonderen om ons heen. We moeten het alleen leren zien; onze ogen moeten er voor geopend worden. Toch kun je wel geneigd zijn om Paulus tegen te werpen dat je je in het zelfonderzoek op het punt van kenmerken van het geloof vergissen kunt.

Hoe dan ook: het nieuwe leven blijkt! Blijkt het ook bij ons? Niet in wat we presteren op geestelijk gebied of hoe bijzonder we wel zijn, want dat zijn we niet, maar in het leven van de Gekruisigde. Delen in Zijn opstanding en in de gemeenschap van Zijn lijden. Krijgt Christus een gestalte in ons?

Dat kan enkel waar we Gods Geest in ons laten werken en van dag tot dag leren leven van genade. Dan schieten wij in veel opzichten te kort, maar mogen we grote dingen van de Heere verwachten.

Advertenties

Een nieuwe identiteit

Ochtenddienst 9 juni 2013

Galaten 2:19–20

Orde van dienst

Ps. 96:1,9

Ps. 86:5

Ps. 103:5,6

Ps. 119:9

Bij tafels: Ps. 89:7,8,1

Ps. 100:4

Schriftlezing: Galaten 2:11–21

Sterven voor de Wet – het einde van het oude

Nadat Paulus eerder heeft benadrukt dat er geen ander Evangelie is dan het Evangelie dat hij verkondigde, geeft hij in deze verzen een samenvatting van het Evangelie. Acceptabel voor God ben je niet door vasthouden aan de Joodse identiteit of door het verrichten van bepaalde taken, maar door te leven van Gods genade in Jezus Christus.

Wat Paulus zegt, moet voor Joodse hoorders bijna blasfemisch hebben geklonken: voor de Wet gestorven om voor God te leven. Paulus’ tegenstanders zeiden juist dat je alleen voor God kon leven door voor de Wet te leven. De Wet was immers ten leven gegeven. Dat ontkent Paulus niet, integendeel. Maar de goede Wet heeft de zonde levend en krachtig gemaakt. Want Israël kon de Wet niet houden. Gesteld voor de keus tussen leven en dood, zegen en vloek (Deut. 30:15) kun je wel zeggen dat je voor het leven kiest, maar in de praktijk blijkt het anders uit te vallen.

Er is dus een andere weg nodig, één waarbij er een streep gaat door onze weg van werken der wet. Het gaat om geloof in Jezus Christus, de Zoon van Israël die de Wet volkomen heeft gehouden. Paulus zegt: “Ik ben met Hem gekruisigd.” Weg is de oude identiteit, om plaats te maken voor een nieuwe.

Wat bepaalt voor ons eigenlijk wat we zijn? De statussymbolen van deze wereld, of misschien wel de godsdienstige statussymbolen? Uiteindelijk merk je (hopelijk) dat je het er niet mee redt, maar dat je jezelf er hoe langer hoe meer in verstrikt. Op eigen kracht redden we ons er niet uit. We hebben, kortom, genade nodig.

Christus’ leven – het nieuwe begin

Na “Ik ben met Christus gekruisigd”, verwacht je te lezen: “Ik ben met Christus opgestaan”. Maar Paulus zegt het iets anders. Op andere plaatsen spreekt hij over “in” of “van” Christus zijn, maar hier gaat hij nog verder.

Ik leef niet meer. Mijn Ik is gestorven, mijn oude identiteit weggedaan. Paulus spreekt daarover ook in Rom. 6, waar hij dit in verband met de doop ter sprake brengt.

Christus leeft in mij. Hij is niet alleen de Levende, omdat Hij in Zijn opstanding de dood overwonnen heeft. Hij is niet alleen als de Levende bij mij om mij het leven te geven. Niet alleen is Zijn leven mijn leven. Hij leeft zelfs in mij!

Daaraan zit een heel persoonlijke, innerlijke (misschien wel haast mystieke) kant. Het is iets om te proeven en keer op keer op je te laten inwerken: Hij die mij heeft liefgehad. Met die diepte, dat Hij Zichzelf overgaf, dat wil zeggen tot in de dood gaf. Grotere liefde is onmogelijk.

Prachtige woorden natuurlijk, maar hoe komen wij er bij? Zien we niet zo veel in ons leven dat niet in overeenstemming is met Christus? Hoe kun je dan ooit zeggen dat Christus in je leeft? Is dat misschien enkel iets voor degene die ver gevorderd is in het geloof in Jezus Christus? Nee, dit is juist iets wat bij de basis van het christelijk geloof hoort. Luther wijst er op dat we onszelf dan geheel in het licht van Christus moeten zien. Als we onszelf beschouwen buiten Christus, dan is er geen enkele hoop.

Dat betekent dus ook dat beide kanten van deze werkelijkheid waar zijn: de oude identiteit die afsterft en de nieuwe die opstaat.

Aan het Avondmaal ontvangen we voedsel ten eeuwigen leven. We worden gevoed met Christus door Christus.

Het komt er wel op aan: leeft Christus inderdaad in ons?

Om de tafel of aan de tafel

Galaten 2:15–16

Orde van dienst

Ps. 122:3

Ps. 139:14

Ps. 72:9,10,11

Ps. 22:13

Ps. 133:1,3

Schriftlezing: Galaten 2

Inleiding

Aan tafel vinden vaak de beste gesprekken plaats, maar komen ook conflicten voor. Dan moet je weer met elkaar om de tafel, zoals we dat noemen.

In Galaten 2 zien we hoe het “aan de tafel” wordt een conflict: blijven Joden en heidenen van elkaar gescheiden of juist niet?

Conflict

In Antiochië bloeide de christelijke kerk – de christenen werden er zelfs voor het eerst zo genoemd. Petrus komt er, de apostel voor de Joden (zie de werkverdeling tussen Petrus en Paulus in vers 1–10). Hij maakt er geen probleem van om samen met christenen uit de heidenen te eten. Dat was nogal wat (zie ook de geschiedenis met Cornelius, Hand. 10). Tafelgemeenschap was levensgemeenschap, en voor een Jood betekende het dus veel om ‘zomaar’ met heidenen aan tafel te zitten.

Maar dan komen er mensen van Jakobus, dat wil zeggen Joodse christenen uit Jeruzalem. Zij waren waarschijnlijk strenger in de leer ten aanzien van de besnijdenis. Bovendien laat zich denken dat ze er van verdacht zouden worden de Joodse zaak ontrouw geworden te zijn, als ze samen met christenen uit de heidenen aten. Dat zou een gevaarlijke situatie opleveren met de militante zeloten (vrijheidsstrijders) in en om Jeruzalem. Petrus eet niet langer samen met de christenen uit de heidenen. Zelfs Barnabas laat zich beïnvloeden: Paulus’ naaste medewerker, uitgezonden voor de verkondiging van het Evangelie onder de heidenen.

Paulus gaat de confrontatie aan. Dat moet je maar durven, als je zelf de laatste van de apostelen bent en degene tegen wie je spreekt, de eerste. Maar het moet, want de waarheid van het Evangelie staat op het spel.

Wij leren er van dat conflicten vermijden niet altijd goed is. Soms moet je jezelf er voor overhebben om duidelijkheid te scheppen. Maar laten we wel zijn, veel conflicten binnen de kerk gaan helemaal niet om de waarheid van het Evangelie, al wordt er nog zo hard geprobeerd om het eigen standpunt als ‘principieel’ aan te prijzen. Vóór de viering van het Avondmaal is het zaak om conflicten zo veel mogelijk op te lossen of bij te leggen.

Centraal punt

Waarom gaat Paulus er zo fel op in? Omdat Petrus feitelijk het onderscheid tussen Jood en heiden in de christelijke gemeente wil handhaven. Ten onrechte.

Het Joodse volk had een afgezonderde positie, omdat hen de woorden van God (de Torah) waren toevertrouwd. Het is niet gezegd dat alle Joden door eigen verdienste probeerden gered te worden; velen zagen het als een samenspel van genade en verdienste. Maar het belangrijkste was de Torah als een teken dat je bij Gods volk hoorde.

Maar, stelt Paulus: door het gaan van de weg van de Torah deel je niet in de rechtvaardigheid voor God. Met andere woorden: dan stelt God je niet in het gelijk in het grote geding dat God met deze wereld heeft. Dan moet je het nog verliezen. Wie op deze manier aan de Wet vasthoudt, leeft kennelijk aan de Messias, de Christus, voorbij, of doet alsof Hij niet meer was dan iemand die je leert hoe je zo goed mogelijk trouw aan de Torah kunt leven.

Maar Hij is meer. Hij heeft de Wet volkomen gehouden, tot het einde toe in de kruisdood. Daardoor is alles veranderd en nieuw geworden. Niet langer is de Torah de manier om bij God te horen, maar het geloof in de betrouwbare Jezus Christus. Zijn gerechtigheid verleent toegang tot het Koninkrijk van God, niet het houden van de Torah.

Daarom wil Paulus, vs. 18, niet opnieuw de muur opbouwen rondom het Joodse volk, waardoor er scheiding komt met de heidenen. Want als je dat doet, is het eerste dat de Torah je toeroept: dat je een overtreder bent. Wie het Evangelie vermengt met de eis om de rituelen van de Wet te houden, heeft nog niet begrepen wat de kracht van dit Evangelie is. In Abraham zijn daadwerkelijk alle geslachten van de aarde gezegend: niet alleen de Jood, maar ook de heiden!

Wat heeft dit ons te zeggen? Wij zijn christenen uit de heidenen, dus wat hebben we voor boodschap aan dit gedeelte? Wij kunnen alleen door Christus voor God bestaan, alleen door het geloof in Hem. Dat wisten we al wel, maar zo snel mengen we er iets anders bij: je moet wel goed genoeg je best doen, je moet wel goed meelopen met de anderen en goed proberen. Maar het enige onderscheid valt bij Jezus Christus: niet bij onze ijver, offers, ernst of wat dan ook. Dé vraag voor de voorbereiding op het Heilig Avondmaal is dan ook: wie is Jezus Christus voor u?

Nieuwe realiteit

Wat Paulus zegt, betekent daadwerkelijk dat alle dingen nieuw zijn geworden. Christus is niet gekomen met een nieuw soort Wet, waarbij alleen de kring wat breder getrokken werd. Nee, delen in Hem gaat nu op de manier van het Evangelie: het geloof. God verhoudt Zich op een nieuwe manier tot de wereld, Zijn schepping: niet langer alleen via de Torah, maar via Christus.

Dat betekent niet dat de Wet er niet meer toe doet, of dat Christus enkel zondaren faciliteert om door te gaan met zondigen (vs. 17). Maar het punt is dat niet alleen de heidenen ‘zondaren’ genoemd kunnen worden (vs. 15) – dat zijn alle mensen. De Wet brengt je er niet.

De nieuwe realiteit blijkt vooral in de nieuwe identiteit. Voor Israël lag de identiteit in de Torah: daardoor waren ze herkenbaar als het volk van God. Nu ligt de identiteit van de christelijke kerk uit Jood en heiden in Jezus Christus. Door Hem zijn mensen uit alle geslachten, talen, volken en natiën welkom aan de ene tafel. Ze mogen uit en door Hem leven. In de tafelgemeenschap, bijzonder aan het Avondmaal, mogen ze door Christus aan elkaar en bovenal aan God verbonden zijn.

Dus is er nog maar één onderscheid dat er echt toe doet. Niet het onderscheid tussen Jood en Griek, slaaf of vrije, man of vrouw. Maar het onderscheid tussen in Christus zijn of niet, in Hem geloven of niet.

Delen wij ook in de gemeenschap met Hem? Dan zijn we welkom aan Zijn tafel, waar alle onderscheid verdwijnt.