Het grote oordeel en de eeuwige zegen

door Arnold Huijgen

Middagdienst 22 dec. 2013

Joël 3:16–17

Het slot van het hoofdstuk 2 van Joël leek zo mooi: Israël bekeert zich, de Heere stort Zijn Geest op hen uit en een ieder de de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden. Maar dan verbreedt de horizon in hoofdstuk 3 naar het uiteindelijke oordeel over deze wereld én naar de vrede die God schenkt.

Oordeel

De volken worden verzameld in het dal van Josafat (hier als symbolische naam bedoeld: de Heere oordeelt). Ze moeten aantreden en zo sterk mogelijk voor de dag komen, klaar voor de oorlog.

Waarom daagt de Heere de volken zo uit? Omdat ze zich onmenselijk wreed hebben gedragen tegenover Israël: ze hebben krijgsgevangenen verdeeld en kinderen verhandeld. De Heere vergeldt het zó dat ze zelf zullen zien hun kinderen worden meegenomen.

Is dat allemaal niet al te oudtestamentisch? Oog om oog, tand om tand? Let er wel op dat niet Israël zelf dit doet, maar de Heere, de Rechter van de hele aarde. Laten we niet vergeten dat de Heere eens recht zet wat er op deze aarde allemaal krom is gemaakt. Onze tekst spreekt van de Heere als een brullende leeuw; wie zou dan niet vrezen?

Israël wordt behouden, maar niet omdat er op Israël niets aan te merken zou zijn, maar omdat God Israël genadig is en Israël zich bekeert tot de levende God. Gods vijanden vergaan, omdat ze weigeren zich te bekeren en hun vijandschap op te geven.

Wat leren wij hier nu uit? In ieder geval dát er reële vijanden bestaan. In een tijd van relativisme kun je zomaar gaan denken dat het allemaal niet zo veel verschil maakt. Er zijn machten in deze wereld die tegenover God staan, en dat gaat op leven en dood.

Vervolgens leren we er van dat God deze vijanden compleet overwint. In de opstanding van Jezus Christus blijkt het kwaad niet het laatste woord te hebben in deze wereld. Op de jongste dag zal dat definitief blijken.

Ten derde leren we er van dat het nodig is dat wij zelf ook gered worden. Dat we niet volharden in vijandschap jegens de Heere, maar dat wij Hem integendeel te voet vallen.

Vrede

God brengt de geschiedenis ten einde. Dat op zich is al goed nieuws. Het is geen eindeloze cirkelgang van telkens hetzelfde – het gaat ergens naartoe.

In dat alles beschermt God Zijn volk Israël. Zijn uitverkoren volk is het, onverdiend. Jeruzalem zal de heilige stad zijn waar het allemaal gebeurt. Hoe kunnen onheilige mensen daar wonen? Enkel door God genade.

Let er op dat er sprake is van overvloed van wijn en melk, dat wil zeggen van de vreugde en van de noodzakelijke voeding. Het drupt zo van de bergen. De Heere voedt Zijn volk. Het kan niet op, want er stroomt een onuitputtelijke bron vanuit de tempel, de plaats van Gods heiligheid. Juda gaat niet ten onder, maar er is een eeuwige toekomst voor Gods volk in Gods stad. De Heere woont in Sion te midden van Zijn volk.

Het grote geheim, het midden, van dit alles is Gods genadige vrijspraak van Zijn volk.

Nu zou je je wel kunnen afvragen of dit allemaal niet rijkelijk oudtestamentisch is, zowel het oordeel (die mensen vergaan) als de zegen (in aardse kleuren geschilderd, voor het volk Israël). Maar laten we niet vergeten dat het Nieuwe Testament ook – en nog dieper – over oordeel en zegen spreekt. Een nog scherper oordeel, de toorn van het Lam. Maar ook een diepere vrede, waarin God bij de mensen woont (Openbaring 21:3–4). Niet alleen de stad wordt vernieuwd, maar ook de aarde en de hemel. Er komt een heel nieuwe toekomst!

Dit alles is in Christus vervuld. Wie in Hem is, is al een nieuwe schepping. Hij maakt dit alles heerlijk waar. En dan is het óók goed nieuws dat de vijanden van God vergaan. Dat betekent namelijk: bevrijd worden van de zonde, van de satan en van alles wat duister is en fout.

Ten slotte zien we dus dat er maar twee bestemmingen zijn van het menselijk leven: of altijd bij de Heere zijn, of altijd zonder Hem. Waar zullen wij zijn? Dat is een geweldig ernstige vraag, die we niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. Enkel in Christus vinden we het antwoord, omdat Hij het oordeel op Zich wilde nemen.

Advertenties