Rondom de diensten

Rechtvaardig voor God

HC v&a 59–61

Middagdienst 20 oktober 2013

“Wat heb je eigenlijk aan dat geloof?” Goede vraag! Veel mensen hebben er niets aan: geen vreugde, geen zekerheid. Toch: waar geloof betekent dat je rechtvaardig bent voor God, dat God je vrijspreekt.

Geweten

We kennen allemaal (hopelijk!) de stem van ons geweten: dat stemmetje dat zegt dat iets niet mag. Veel mensen denken dat als je echt gelooft, je geweten zegt dat het goed is met je. Maar dat doet het geweten niet, zegt de HC: het klaagt je aan, voortdurend en op elk punt van Gods geboden. Helemaal terecht. De vrucht van Gods genade is niet dat je geweten gaat zwijgen, maar juist dat het gaat spreken.

Als je geweten je aanklaagt, spreek je niet gemakkelijk of algemeen over de zonde, maar besef je zondaar te zijn. Dat maakt nederig, zodat je je niet meer boven een ander verheffen kunt.

Ouders hebben een belangrijke rol ten aanzien van de gewetens van hun kinderen. Leef ze voor wat een leven de Heere is.

Het geweten spreekt vooral in de stilte. Laten we dan ook stoppen met ons stilte-ontwijkend gedrag. Dopjes uit de oren en luisteren – niet alleen naar je geweten, maar vooral naar de Heere. Want die twee zeggen niet per se hetzelfde…

Geschenk

God spreekt namelijk zondaren vrij! Dat is in het licht van je aanklagende geweten iets ongelooflijks – soms letterlijk, dat je het niet geloven kunt. Het is een kwestie van ‘nochtans’ (en toch!). Dat betekent dat God ongedachte en onverdiende genade schenkt. Toen Luther dat ontdekte, zwaaide de deur naar het Paradijs voor hem open.

Wat houdt de ‘vrolijke ruil’ in? Allereerst dat je alles ontvangt wat Christus in Zijn lijden heeft verdiend. De zonde wordt uitgewist, weggedaan, vergeven. De complete schuld kwijtgescholden. God ziet je alsof je nooit één zonde had gedaan. Vervolgens betekent de vrolijke ruil dat Christus gerechtigheid de mijne wordt. Wat Hij aan goeds heeft gedaan, heel Zijn leven en identiteit, die krijgt gestalte in mij. Hij de ene Rechtvaardige maakt dat er velen rechtvaardig worden.

Dát heb je dus aan het geloof: je wordt vrijgesproken in Gods oordeel. Veel mensen rekenen niet met Gods oordeel, maar dat kómt wel! Die vrijspraak betekent niet dat het je verder voor de wind gaat. Er kan verdrukking en tegenstand komen, maar in dat alles ben je meer dan overwinnaar.

Geloof

Hoe ontvang je dit alles nu? Door het geloof. Let wel: niet om het geloof (alsof je geloof zelf iets verdiende), maar door het geloof. Het geloof is als een lege bedelaarshand. Het eerste kernwoord isaannemen, dat correspondeert met het ‘schenken’ uit antwoord 60. Het is accepteren wat God je schenkt. Zo liggen de verhoudingen: we moeten niet denken dat we de Heere moeten overhalen om genadig te zijn. Wij zijn het die overgehaald, of liever: bekeerd, moeten worden.

Het tweede kernwoord is toe-eigenen, het ‘mijnen’ van het geloof. Dat correspondeert met Gods toerekenen (antwoord 60). Die twee zijn verbonden, maar niet hetzelfde. Gods Geest leert mij toe-eigenen. Dat is wat anders dan vrijpostig op me aanhalen. Het is ootmoedig ontvangen. Niet door mijn inspanning of emotie, maar door Gods genade alleen.

Vragen

  1. Waarom is geloven / toe-eigenen zo moeilijk? Kun je daarin ooit verder komen als je naar gevoel vast zit?
  2. Kan je geweten ook verkeerd gevormd zijn, als het ware te streng of te losjes ‘afgesteld’? Met andere woorden: hoe betrouwbaar is ons geweten eigenlijk?
  3. Wat is voor u/jou het grootste en belangrijkste aspect van de rechtvaardiging geworden? De vrijspraak, het nieuwe leven, of nog iets anders? Spreek daar eens over door.
Advertenties

Lastdragen

Ochtenddienst zondag 20 oktober 2013

Galaten 6:2,5

We weten allemaal dat we elkaar moeten helpen, en geregeld wordt de preektekst daarbij aangehaald. Maar voor je het weet, red je het met al je goede en minder goede bedoelingen niet. Waar gaat dit nu eigenlijk over?

Elkaars last dragen

Het gaat hier om “de wet van Christus”. Dat is meer dan ‘gewone’ medemenselijkheid – al is die ook hoe langer hoe minder gewoon. Het gaat om de levensweg en de levenswet van Jezus Christus. Zó heeft Hij geleefd en zó houdt Hij het de Zijnen ook voor. Blijf naar Hem kijken, dus.

Paulus schetst een situatie van mensen die in zonde gevallen zijn. Loop niet met een boog om hen heen, maar ondersteun hen. Niet door de zonde te vergoelijken: het “terecht brengen” betekent zoiets als “herstellen”, zoals een gebroken arm gezet wordt. Dat kan best even pijn doen. Maar niet meer dan strikt noodzakelijkheid. Het gaat om een geest van zachtmoedigheid en geduld. De zonde veroordelen en de zondaar welkom heten.

Het beeld dat Paulus gebruikt, is dat van een oosterse lastdrager. Een menselijke vervanger van een ezel dus. Dragen is lijden en lijden is liefhebben. Geen winnaarsmentaliteit, ook niet de houding van een loser trouwens, maar met opgeheven hoofd dienen.

Zo wordt de wet van Christus vervuld. Dat betekent hier niet: perfect houden van de wet. Dat gaat namelijk niet gebeuren. Het betekent wel: vol maken, verder brengen, gaan in Zijn spoor. Dat begint erbij dat God Zélf zo’n lastdrager wilde worden, zich wilde bukken onder de zware lasten van ons leven.

Dat is goed nieuws. Er is iets aan onze last te doen. Er is meer dan acceptatie en berusting. God heeft het er niet bij laten zitten. Hij ziet je en wil je zonden wegdragen en jou zelf dragen. Dat maakt dat je zelf ook bereid wordt om te dragen.

Je eigen last dragen

Op het eerste gezicht lijkt vers 5 in tegenspraak met vers 2, maar bij nadere bestudering blijken ze in elkaars verlengde te liggen. Vers 5 gaat namelijk vooral over de persoonlijke verantwoordelijkheid, die we niet van elkaar kunnen overnemen. We kunnen veel van elkaar dragen, maar we kunnen elkaar niet redden.

Paulus richt zich hier tegen mensen die menen dat ze het best wel goed doen. Hij spoort ze aan om zich niet met anderen te vergelijken, maar met zichzelf. Een goed advies, want vergelijking met anderen resulteert vaak óf in hoogmoed (als de vergelijking voor jou goed uit lijkt te vallen) óf in jaloezie en teleurstelling (als de vergelijking minder gunstig uitvalt). Onvruchtbaar dus. Besef dat je er alleen voorstaat in Gods oordeel en dat een vergelijking met wie dan ook nutteloos is.

In Gods oordeel kan niemand voor God bestaan – dat maakt je ootmoedig. En tegelijkertijd mag je ook wel goede dingen opmerken, misschien, als vrucht van de Geest. Dat geeft je stof om te roemen, maar uiteindelijk kun je alleen maar roemen in Christus.

Op deze manier worden we geschikt om lasten van anderen te dragen. Je staat immers niet boven of onder de ander, maar naast hem/haar.

Het lijkt een beetje zuinig dat Paulus zegt dat we allereerst moeten omzien naar de “huisgenoten des geloofs” (vers 10). Maar bedenk dat veel mensen toen en nu uitsluitend oog hadden/hebben voor hun eigen kringetje. Paulus spoort juist aan om breder te kijken.

Uiteindelijk betekent deze manier van leven dat je niet wegloopt voor de roeping die God je geeft, maar dat je trouw blijft.

Opstaan en sterven

HC v&a 57–58; middagdienst 29 sept. 2013

De HC staat bekend als troostboek: in de beide vragen vanmiddag gaat het ook om troost: in het sterven (v&a 57) en in het leven (v&a 58).

De troost van de opstanding van het vlees

Dit leven is eindig, wij moeten sterven. We weten het allemaal, maar sta er maar eens bij stil. Dan komt het oordeel. De posities in dit leven zijn kennelijk niet definitief.

Niet alleen de ziel wordt gered. Die ook! Maar het lichaam is niet minderwaardig, of slechts een verpakking van de ziel. Het lichaam telt ook echt mee: we hebben niet alleen een lichaam, we zijn het ook. Geschonden lichamen zullen dan volkomen en gaaf zijn.

Stellig spreekt de HC over ‘van stonde aan’. We weten er weinig van, maar zo veel is duidelijk dat we geen moment uit Gods hand vallen. Mensen doen er namelijk voor God echt toe, en Hij wil ons geheel en al redden, met lichaam en ziel.

Wie werkelijk de opstanding der doden gelooft, beseft dat dit leven het laatste niet is, maar dat het tegelijkertijd niet onverschillig is hoe we ons leven nu inrichting – concreet ook: hoe we met ons lichaam (tempel van de Heilige Geest) omgaan. De dood is de laatste vijand; het is dan ook gepast om te treuren en te rouwen, maar niet als degenen die geen hoop hebben.

De troost van het eeuwige leven

Het geloof in de opstanding (en de troost in het sterven) maakt christenen niet levensmoe, maar geeft integendeel nieuwe moed om hier en nu te leven. Het eeuwige leven begint niet straks pas, maar vangt nu al aan.

Wat is ‘eeuwig’? Wij denken zo gemakkelijk dat het om iets gaat voor of na de tijd, maar het gaat om Gods ruimte.

De HC spreekt hier van vreugde, vreugde in God namelijk. Dat is de vreugde van de toekomstige heerlijkheid, nu al geproefd. Wat een tegengif is dat tegen maatschappelijke somberheid en kerkelijke ingezonkenheid.

Het gaat om het beginsel van de eeuwige vreugde; het gaat niet alleen om het begin, maar om het principe. Het gaat ook om het gevoel: er valt wat te beleven, het eeuwige leven laat zich nu al beleven.

Maar… God prijzen: wat is dat? Helemaal op God gericht zijn, zodat je Zijn lof gaat zingen. Dat geeft echt zin aan het leven.

Al deze grote dingen belooft de levende God in de doop, teken van het eeuwige leven.

Vragen

  1. Wat is de betekenis van de doop voor het eeuwige leven?
  2. Is het niet saai, altijd God prijzen?
  3. Hoe kun je nu concreet de eeuwige vreugde beleven in het leven van elke dag?

In het spoor van de Geest

Galaten 5:25, ochtenddienst 29 september 2013

Als je ergens bij wilt horen, moet je ook wel meedoen. Als je mee wilt zingen in een koor, moet je wel op de repetities komen en naar de aanwijzingen van de dirigent luisteren. Zo geldt ook dat geestelijk leven betekent dat je ook in het spoor gaat dat de Geest wijst.

Vrucht

In Galaten 5 benadrukt Paulus dat leven uit genade niet betekent dat we losbandig gaan leven. Integendeel, de wet kan worden samengevat als: heb je naaste lief als jezelf. Dat betekent niet dat we nu alsnog moeten werken om onze zaligheid te verdienen. Het gaat niet om werken, maar om vrucht (Gal. 5:22). Vruchten kun je niet maken, al kun je de groei van vruchten wel verhinderen. Zeker van de vrucht van de Geest geldt: “Uw vrucht is uit Mij gevonden”.

De ‘vrucht’ (enkelvoud) van de Geest staat tegenover de ‘werken’ (meervoud) van het vlees. Er zijn tal van zonden, verkeerde begeerten en dergelijke, maar er is uiteindelijk maar één vrucht van de Geest – met verschillende aspecten, maar in de grond der zaak één. Daarbij staat de liefde voorop (de wet werd immers ook samengevat als liefde tot de naaste allereerst).

Het verschil met de dwaalleraars waar Paulus mee te maken heeft, is: het gaat er niet om dat we zelf wat voortbrengen en zo aangenaam voor God zijn, maar dat we Gods Geest in ons laten werken.

Laten we eens eerlijk nagaan of we deze vrucht ook aantreffen. Eerlijk naar twee kanten: soms moet je zeggen dat er wel een hoop gedoe is, maar geen echte vrucht. En soms mag je ook niet ontkennen dat er vrucht te vinden is.

Voortgang

Er is dus voortgang in het geestelijk leven. Dat wordt nogal eens vergeten; dan lijkt het alsof er na de eerste bekering niets meer is. Merkwaardig genoeg doet dan wetticisme vaak weer zijn intrede.

In het spoor van de Geest gaan betekent: invoegen in Zijn manieren van denken en doen. Geleidelijk, stapje voor stapje leren. Innerlijk en uiterlijk, en wel op de manier van: van binnen naar buiten. Dat gaat positief, op de manier van de liefde. Er wordt echt een ruimte geopend om te leven.

Volgen

Het gaat om discipline. Niet voor niets wordt er militaire taal gebruikt in dit gedeelte. Het gaat om een strijd tegen vleselijke begeerten. De Geest oefent je, maar wel op de manier van de liefde. Hij kent je draagkracht en maakt je werkzaam in Zijn spoor.

Dat betekent een streep door al die dingen die duidelijk werken van het vlees zijn in je leven. De vrucht is niet altijd direct zichtbaar, maar uiteindelijk komt er wel vrucht. De manier waarop – dat is die van het gebed om de werking van Gods Geest.

Klein en groot

Dienst jeugdzondag 15 september 2013

Veel mensen zijn meer bezig met hun kleine leven dan met het grote gebeuren van Syrië, Obama en de crisis. Wij zijn maar kleine mensen, en wat kunnen wij daarin betekenen?

Toch zijn kleine mensen wel degelijk belangrijk in Gods oog. In onze tekst zien we een ‘klein meisje’ dat met haar grote geloof dienstbaar blijkt te zijn voor de genezing van Naäman. Anderzijds zien we de ‘grote’ (vs. 1) Naäman, die klein moet worden, zodat God Zijn genade aan hem kwijt kan.

Een groot man met een klein geloof

De meesten van ons kennen de geschiedenis van Naäman van jongsaf. Maar het is goed om te zien dat het niet alleen een genezingsgeschiedenis is, maar ook onderwijs rondom ‘klein’ en ‘groot’.

Naäman wordt een groot man genoemd: hij is legeraanvoerder van Syrië, een machtig en bovendien succesvol man. Waarschijnlijk heeft hij de slag bij Karkar, tegen de Assyriërs, gewonnen (854 v.Chr.). Hij staat in aanzien bij de koning.

Deze grote man heeft een groot probleem: huidziekte – waarschijnlijk geen melaatsheid, want hij komt gewoon in contact met andere mensen.

Als de grote meneer gaat hij, na een tip van zijn dienstmeisje en met een brief van zijn koning, naar Israël. Met een enorm gevolg en op zijn strijdwagen (militair!), voorzien van enorme geschenken. De koning van Israël blijkt geïntimideerd en verwacht dat dit het begin is van een oorlogsverklaring.

Uiteindelijk komt hij bij de profeet Elisa, nog altijd als de grote man. Daar blijkt hij kleinzielig met een kort lontje. Hij is geïrriteerd dat de profeet zijn knecht stuurt en niet zelf komt, en dat hij de Jordaan in moet. In zijn hoogmoed staat hij zijn genezing in de weg, totdat God wat bedienden gebruikt om hem over te halen. Na een bad in nederigheid komt Naäman er uit als ‘een kleine jongen’ (vs. 14).

Dat is genade! Daarom neemt Elisa ook geen geschenk aan en past hij niet in de manier waarop de wereld zo vaak werkt.

Naäman gelooft dat alleen Israëls God echt God is, maar zijn geloof is nog zwak en klein: hoe moet het in zijn heidense thuisland? Hij zal moeten schipperen. Maar als hij maar vasthoudt aan dit geloof.

Op deze manier wordt alle groot-zijn in deze wereld ontmaskerd. We kunnen groot proberen te zijn en ons groot houden, maar uiteindelijk moeten we klein worden om het Koninkrijk binnen te gaan.

Een klein meisje met een groot geloof

Mogelijk was ze ongeveer vijftien jaar. Een klein meisje met een groot probleem: ze was slavin. Meegeroofd op een strooptocht vanuit Syrië, ongetwijfeld een traumatische gebeurtenis, en daarna op een slavenmarkt verhandeld en bij mw. Naäman terecht gekomen.

Hoe zouden wij ons voelen? Verdrietig, teleurgesteld, alleen. Misschien wel boos op God. Is dit nu onze God? Hij kan toch alles? Voor die vragen hoef je geen slavin te zijn. Hoeveel mensen leven op dit moment in Syrië in wanhoop? En hoeveel in ons land, onder ons?

Toch heeft dit meisje een groot geloof: Israëls God helpt. Hij helpt niet alleen haar, maar Hij helpt zelfs de grootste vijand. Natuurlijk heeft ze tegenwerpingen genoeg: wie zal er naar haar (slaaf, vrouw, Joods, jong!) luisteren? En bovendien: als God een Helper is, had Hij haar ook wel meer mogen helpen. Maar toch gelooft ze: God helpt, zelfs al zie je het niet.

Waarin zijn wij groot? Ben je populair, sterk, of juist heel mondig? Of misschien onzeker. Eigenlijk zijn we allemaal maar kleine mensen. De een maakt meer mee dan de ander. Maar beslissend is of we de weg naar de Heere en van de Heere willen gaan. Dat meisje in Damaskus bleef op de Heere hopen.

Hoe zou Naäman thuisgekomen zijn? Fantasie natuurlijk, maar ik denk dat hij na een lange omhelzing van zijn vrouw toch eerst die jonge slavin eens heeft opgezocht. Daar ontstond een kleine gemeente in Syrië. En al buigt heel Syrië voor de stormgod Rimmon, God houdt Zijn werk in Damaskus in stand.

Kijk eens wat Israël de volken te bieden heeft! De verkondiging van de levende God die helpt in nood! Dat zie je vooral in de grote Zoon van Israël, Jezus Christus. Hij genas de zieken, maar vooral leerde Hij grote mensen in eigen oog, klein te worden om het Koninkrijk binnen te gaan. Niemand had Zijn vijanden lief zoals Hij. En uiteindelijk is dít evangelie uitgegaan onder de volken.

Ten slotte

Wat kun je hieruit meenemen?

Geloven

Het meisje krijgt in de geschiedenis geen naam – zouden we jouw naam in kunnen vullen. Is dit ons geloof? Van onszelf kunnen we dit geloof niet opbrengen, we moeten het ontvangen. We mogen het ook ontvangen door te kijken naar Jezus Christus en te luisteren naar Zijn stem. Zijn bloed reinigt je van top tot teen – en niet alleen je huid, maar ook je hart en heel je leven.

Getuigen

Dat meisje getuigde in een omgeving die vijandig stond tegenover God. Ze had een ongeloofwaardig klinkende boodschap, maar haar getuigenis werd gezegend. Laten we zo eenvoudig doorgeven (1 Petr. 3:15). Alleen zo blijf je staande temidden van de zuigkracht van deze wereld.

Gods vrede komt

De oorlog die de koning van Israël vreesde, werd afgewend. Er kwam een beginnetje van verzoening tussen Syrië en Israël, tussen de machtigen en zwakken. Eens komt Gods toekomst, zonder ziekte en zonder oorlog. Gods kinderen zullen compleet rein zijn. Meer nog dan Naäman zullen ze blij mogen zijn als kinderen.

Echte vrijheid

Middagdienst 8 september 2013

Galaten 5:13–15

Vrijheid is een positief woord; het klinkt goed. Maar hoe meer het gebruikt wordt, des te meer ga je je afvragen wat er eigenlijk mee bedoeld wordt. Paulus maakt dat hier duidelijk.

Dienen

Totnogtoe heeft Paulus in deze brief vooral gewaarschuwd tegen de gedachte dat je enkel bij God kunt horen door je te laten besnijden en tegen het wetticisme. Maar nu komt hij aan het tegenovergestelde toe: antinomianisme, ofwel de gedachte dat de wet heeft afgedaan, waarbij de vrijheid tot losbandigheid kan worden.

Paulus zegt: gebruik je vrijheid niet als ‘oorzaak’, d.w.z. uitvalsbasis, voor het vlees. Dan snijd je namelijk net zo goed de band tussen Christus en het leven door als het wetticisme ook doet.

Nodig is: dienen, letterlijk: slaaf zijn. Nota bene nadat Paulus uitvoerig heeft betoogd dat de christen geen slaaf is maar een vrije (Gal. 4), bepaalt hij ons nu bij slavernij. Maar het gaat hier niet om slaafs gedrag, maar om het dienen van een vrij mens, een christen.

Door te dienen ben je namelijk echt vrij, ook vrij van jezelf. Zie hoe de Heere Jezus Christus gediend heeft en geleefd heeft voor anderen. Christus werd gekruisigd, en een kruis is niet leuk of aardig. Wel is Gods genade en Geest nodig om blijmoedig het kruis te kunnen dragen.

Liefde

Paulus zegt in Rom. 13:8v “Wees niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben.” Wie de naaste liefheeft, vervult de wet. Weer wrijf je je ogen uit: Paulus die in vers 3–4 nog benadrukte dat het niemand lukt om de hele wet te houden, heeft het hier over het vervullen van de wet. Hij bedoelt: de liefde is de ziel van de wet. Geen mens kan alle geboden voor de volle honderd procent houden, maar wie door Christus gerechtvaardigd is, krijgt wel Gods wet lief. “Hoe lief heb ik Uw wet” (Ps. 119).

De liefde maakt het anders: niet langer houd ik de wet om te proberen er bij te horen, maar uit dankbaarheid.

Nu is liefhebben lang niet altijd gemakkelijk werk. Soms is het zelfs zwaar, een kwestie van zelfverloochening. Daarom is het geloof nodig dat de liefde energie geeft (vs 6).

Paulus spreekt, in navolging van de Heere Jezus en van Lev. 19:18, over de naaste liefhebben als jezelf. Dat gaat geweldig diep – en tegelijkertijd veronderstelt dat je jezelf ook op een bepaalde manier mag liefhebben.

Vrede

Ten slotte waarschuwt Paulus dat de Galaten elkaar niet moeten bijten, als wilde dieren elkaar aanvliegen. Geen vleiend beeld, maar helaas kan het in de gemeente voorkomen dat het er zo aan toe gaat. Bedenk: de ander is niet je vijand, en als je denkt dat hij het wel is, is het nodig om voor hem te bidden. Als je focust op vijandschap, komt dat als een boemerang naar jezelf terug: dan word je door elkaar verteerd.

Dit betekent niet dat je alles maar lievig moet toedekken, alsof er niets aan de hand is. Het betekent wel dat de Geest de toon aangeeft, en niet het vlees. Die Geest is de Geest van Christus, de Geest van de vrijheid.

En als het moeilijk is om de vrede te bewaren? Denk aan Jezus Christus: Hij is onze vrede, zegt Paulus ergens anders (Ef. 2). In deze bedeling zal het ons niet lukken om volmaakte vrede te bereiken, maar laten we voor zo ver het van ons afhangt, vrede houden met alle mensen.

De volmaakte vrede van Christus komt.

 

Wat er echt toe doet

Avondmaalsdienst, 8 september 2013, ochtend

Het is bijzonder hoe sommige mensen ineens kort en puntig kunnen zeggen waar het echt om gaat. Dat helpt je verder.

In onze tekst zegt Paulus waar het echt op aankomt. Niet op besneden zijn of onbesneden zijn – in de werkelijkheid van Jezus Christus maakt dat niet, zegt Paulus. Het heeft geen kracht, geen waarde. Wat er werkelijk toe doet is het geloof – het echte geloof, dat wil zeggen het geloof dat door de liefde werkt.

Geloof

Paulus benadrukt dat Christus de Galaten heeft vrij gemaakt met de bedoeling dat ze ook vrij zouden zijn. Dat is heel wat anders dan een slavenjuk op zich nemen (vs 1–2). Bedenk dat de Joodse wet in die tijd als een ‘juk’ werd beschouwd (zie Mat. 11 slot). Paulus waagt het hier te zeggen dat de goede wet tot slavernij is geworden. Je zou natuurlijk kunnen tegenwerpen dat Paulus’ boodschap wel erg goedkoop lijkt: je hoeft alleen maar te geloven (dat is: Jezus Christus te vertrouwen) en je bent gered. Gaat het wel zo gemakkelijk?

Mede in antwoord op die vraag benadrukt Paulus dat geloof heel iets anders is dan werken, iets presteren, of door bepaalde uiterlijke kenmerken opgenomen zijn in de Joodse identiteit. Hij drukt zich daarbij in vers 12 zelfs naar ons gevoel wat grof uit – bedenk dat voor de mensen toen het haast blasfemisch was om te stellen dat degenen die zich lieten besnijden, zich net zo goed konden laten castreren. Paulus bedoelt: de Joodse wet is gemaakt tot een middel voor afgoderij.

Het gaat Paulus er om dat we alleen in Christus voor God kunnen bestaan, en op geen enkele andere manier. Zo is het ook aan het Avondmaal: of het is alleen genade, of ik sta er helemaal alleen voor.

Hoop

Dat werkt nogmaals de vraag op of het allemaal zo gemakkelijk gaat? Maar bedenk dat geloof betekent: niet zien, maar toch vertrouwen. Die gerechtigheid waar Paulus over spreekt, komt pas openbaar als Christus komt. Het valt niet mee om te blijven hopen en vertrouwen. Toch is die hoop niet onzeker, maar zeker in Christus.

Gods kinderen houden het hopen vol door de Geest die in hen woont en werkt. Hij richt op de toekomst.

Het Avondmaal is de maaltijd van de hoop: totdat Hij komt. In onze samenleving ontbreekt het op allerlei niveaus steeds meer aan vertrouwen. Er is ook zo veel onzekerheid. Maar aan het Avondmaal mogen we proeven dat er een Herder is, dat er verwachting is voor deze wereld. Ik blijf de Heere verwachten!

Liefde

Paulus spreekt over geloof dat door de liefde werkt. Geloof geeft de liefde energie, brandstof. Anders zou de liefde gemakkelijk kunnen doven.

Echt geloof is nooit zonder vrucht. We hoeven niet zelf een eigen bijdrage te leveren in de vorm van een bepaalde hoeveelheid liefde om gerechtvaardigd te worden, maar als de zondaar eenmaal gerechtigvaardigd is, is de liefde dé vrucht bij uitstek in het leven van de gelovige. De liefde is geloof in actie.

We mogen ons wel afvragen of dat onder ons ook zo zichtbaar wordt. En het dankbaar zien waar dat gebeurt.

Het Avondmaal laat je de liefde van de Heere proeven. Tegelijkertijd wil het de liefde versterken. Gods toekomst is een toekomst van liefde.

 

Twee soorten kinderen van Abraham

1 sept. 2013, doopdienst & voorbereiding Avondmaal

Veel mensen zijn geïnteresseerd in hun voorgeslacht, al gaat het lang niet bij iedereen zo ver dat hij stamboomonderzoek gaat doen. Maar waar je vandaan komt, zegt iets over wie je bent, over je identiteit.

De tegenstanders van de apostel Paulus verdedigen dat zij kinderen van Abraham zijn. Dat stemt Paulus in zekere zin wel toe, maar langs welke lijn zijn ze kinderen van Abraham? Dat maakt namelijk nogal verschil: de lijn van Ismaël of de lijn van Izak?

Paulus stelt ze tegenover elkaar:

Ismaël Izak
slavernij vrijheid
dienstmaagd Hagar vrije Sara
naar het vlees naar de belofte
Sinaï (Sion)
Jeruzalem nu Jeruzalem boven
Vervolgt –> Op zich onvruchtbaar

Belofte versus vlees (natuur)

De geschiedenis is bekend: aan Abraham was een zoon beloofd, maar hij moest er zo lang op wachten, dat hij met instemming van Sara bij zijn slavin Hagar (de Egyptische) een zoon verwekte.

Paulus haalt deze geschiedenis aan, omdat hij hier spreekt over erfgenaam-zijn. Abraham had twee (soorten) kinderen, maar er was er maar één de erfgenaam. Erfgenaam ben je naar Gods belofte (Gal. 3:29) en niet door letterlijke afstamming, besnijdenis of welke rituelen dan ook.

De belofte van God is dus het enige houvast voor de redding en voor de erfenis in het Koninkrijk van God. Bij de belofte hoort geloof in die belofte. Niet de Wet of het houden van de Wet maakt dat ik bij God hoor, maar het geloof in Gods beloftewoord maakt tot een waar kind van Abraham en tot een erfgenaam.

In de doop nadert God belovend tot ons mensen, die van onszelf midden in de dood liggen. Die belofte wil geloofd worden, en dat wil de Heere zelf ook leren door Zijn Geest.

In het avondmaal gaat het evenzeer om Gods belofte en het leven van genade. Voor de week van voorbereiding geldt, “of we de gewisse belofte van God geloven” (avondmaalsformulier). Bij het zelfonderzoek gaat het dus niet om wat wij al dan niet goed bij onszelf kunnen waarnemen, maar om de vervulling van Gods beloften.

Vrij versus slaaf

Paulus’ manier van bijbeluitleg komt op ons, die de Joodse uitleg niet gewend zijn, mogelijk nogal vreemd over. Hij zegt dat Hagar en Sara, ofwel Ismaël en Izak (hun respectievelijke zonen) voorbeelden zijn twee verbonden, dat wil zeggen: twee ordeningen van God. Hagar hoort bij Arabië, de plaats van de onvrijheid. Dáár staat ook de berg Sinaï (waar de Wet werd gegeven), buiten het beloofde land.

Daartegenover zie je aan Sara het goede nieuws niet bepaald af, want zij is in tegenstelling tot Hagar onvruchtbaar. Maar met aanhaling van Jesaja 54 laat Paulus zien dat dit nu juist bij de stijl van Israëls God hoort: Hij beschaamt de sterken en zoekt de zwakken op. De onvruchtbare mag juichen in vertrouwen op deze God.

Telkens wordt de vrijheid van Gods volk bedreigd. In Paulus’ tijd door de dwaalleraren die de gemeente weer onder het juk wilden brengen van de Wet. Paulus ziet een grote lijn van Ismaël die in alle tijden Izak bedreigt. Het is niet moeilijk om de lijn te trekken naar de islam in onze tijd, die op veel plaatsen de vrijheid van Joden en christenen bedreigt. Maar ook binnen de kerk dreigt de vrijheid verspeeld te worden als we ons laten binden.

In de doop belooft God dat Hij ons vrij wil maken van de zonde, door ons te wassen in het bloed van Zijn Zoon, en ons vrij wil maken tot het Zoonschap, door ons tot kinderen en erfgenamen aan te nemen. Dat zijn heerlijke beloften. Maar telkens dreigt het gevaar van onvrijheid. Doordat we ons niet bekeren en niet geloven, bijvoorbeeld. Er is een wonder van genade voor nodig willen we de Heere vertrouwen. En anderzijds kunnen we zo klein denken van Gods beloften dat we ook in onvrijheid voortleven.

Het avondmaal is bedoeld als versterking van dít geloof, dat tegen de schijn in blijft hopen op God die de onvruchtbare in een huisgezin zet. Voor de week van voorbereiding mogen we ons wel afvragen op welke manieren we ons hebben laten knechten in de achterliggende tijd. De scheiding tussen Gods kinderen en anderen valt bij: het vertrouwen van de Heere in Zijn Woord. Zo is het avondmaal als voedsel ten eeuwigen leven ook de maaltijd van de vrijheid.

Toekomst versus nu

Paulus stelt “Jeruzalem nu” tegenover “Jeruzalem boven”. Dat lijkt een wat vreemde tegenstelling. Tegenover “nu” verwacht je “later” en tegenover “boven” verwacht je “beneden”. Dat is ook wel wat Paulus bedoelt. Het gaat om het hemels Jeruzalem dat eens uit de hemel neerdaalt, bereid als een bruid voor haar man (Openbaring 21:2).

Dát Jeruzalem, zegt Paulus, is ons aller moeder – dat wil zeggen: het is de moeder van alle gelovigen. Het komt er op aan dat we van boven geboren, dat is: wedergeboren, zijn. Daarbij gaat het om het begin van het geestelijke leven, maar het begin is vaak klein en moeilijk te onderscheiden. Wedergeboorte blijkt daaruit dat we ons richten op de levende God en op Zijn toekomst.

Het valt niet mee om die verwachting levend te houden. Dat is het werk van de Heilige Geest, waarbij Hij het avondmaal als middel ter versterking gebruikt.

Ook voor de gedoopte kinderen komt het er op aan dat zij eens “zonder verschrikken voor Gods rechterstoel mogen verschijnen” (doopformulier). Dat wil de Heere schenken. Hij beschaamt niet.

Paulus’ pijn en verlangen

Galaten 4:19

Morgendienst 18 aug.

Wat is de ergste pijn die je ooit hebt gehad? Veel vrouwen zullen misschien wel denken aan een bevalling. Dat neem ik maar aan, want wat kun je daar als man over zeggen? Een beetje merkwaardig wel dat de apostel Paulus nu juist ‘barensweeën’ als beeld gebruikt voor de pijn die hij voelt over de gebreken van de Galaten. Dat doet hij echter niet voor niets: het gaat bij barensweeën niet alleen om pijn, maar ook om verwachting en verlangen.

De Galaten waren zo goed begonnen

Paulus’ pijn komt er mede uit voort dat het eerder zó goed was. Er was nooit wat tussen Paulus en de Galaten. Ze hadden zijn boodschap aanvaard, zelf al kwam hij met zwakheid. Waarschijnlijk zinspeelt Paulus op een oogkwaal die hij had, en waardoor hij een zwakke indruk maakte. In de heidenwereld koppelde men de boodschap direct aan de boodschapper: een zwakke boodschapper kon moeilijk drager zijn van het goede nieuws. En toch hadden ze dat Woord aanvaard en hadden ze God leren kennen. Belangrijker nog: God kende hen. Want het begint met het wonder van Gods genade.

De Galaten ontvingen Paulus niet zomaar, maar hoorden hem als was hij een engel of zelfs Jezus Christus Zelf. Als ze zijn ziekte hadden kunnen verhelpen door hun eigen ogen te doneren, hadden ze het gedaan. Zo ver ging het! En dan nu…

Misschien geldt het van ons ook wel dat we zo goed begonnen zijn. Toen je belijdenis deed, een ambt aanvaardde – of eerder terug: toen de Heere in je leven kwam. Niet door iets heel bijzonders, maar het Woord van God nam je leven in beslag, door Zijn Geest. En dan…

Dat is niet iets om aan te wennen. Paulus verdoezelt het niet. Hij smeert het ook niet dicht: “God is bij jullie begonnen dus komt het goed”. Hopelijk geloofde hij dat, maar wat doet het een pijn als je er niets van ziet.

Laten we die pijn ook maar toelaten. Ouders die zich herinneren hoe hun kinderen eerder ontvankelijk waren voor het Woord, maar nu keren ze zich er van af. De pijn over mensen die niet meer in de kerk komen, of die lauw zijn geworden. Des te erger omdat ze zo goed waren begonnen; of liever: omdat God een goed werk in hen was begonnen.

Ze waren zó gaan dwalen (Christus krijgt geen gestalte in hen)

Hoe waren ze nu gaan dwalen? Ze waren teruggekeerd tot de “eerste beginselen”, het ABC ofwel de elementen van deze wereld. Die dingen die je niet echt hoefde te leren, maar die er al in zitten: voor wat hoort wat, voor jezelf gaan, jezelf verheffen. En ook: afgodendienst. Wel pijnlijk natuurlijk voor die dwaalleraars die zo hameren op het houden van de Joodse rituelen dat Paulus hen op één lijn zet met de afgodendienaars. Maar het is hetzelfde fenomeen: je volgt je eigen gedachten en gaat zo bij God vandaan. Zo werkt het bij afgoden ook: ze zijn “van nature geen goden”, maar juist je aandacht ervoor maakt ze tot God.

Doet Paulus niet al te moeilijk en moeten we niet blij zijn met mensen die in ieder geval nog serieus iets geloven? Let wel: het gaat Paulus om Christus! Als je gelooft zonder Christus kan zelfs de Thora een afgod worden.

Paulus is opnieuw in barensnood totdat Christus een gestalte in de Galaten krijgt. De (weder)geboorte moet over! Dat kan toch niet? Eigenlijk niet, nee, maar Paulus kan het niet anders zien. Hij bedoelt eigenlijk: zolang Christus geen gestalte in je krijgt, is je geboorte als christen die naam niet waard.

De vraag is dus: waar is Jezus Christus in ons leven? Krijgt Hij gestalte in ons leven, of niet? En dat blijkt, aldus Paulus, in het leven in de christelijke vrijheid. Waar zijn de volwassen, vrije christenen? Zijn we wel echt als christen geboren?

Paulus verlangt naar een nieuw begin

Paulus slaat nogal wat verschillende tonen aan. Het lijkt tot en met vers 18 haast op sarcasme, maar dan komt die emotionele aanspraak: “kinderen!”

Paulus ziet graag Christus de Gekruisigde in hen terug. Christus heeft de vloek der wet gedragen en daarom kan Paulus zeggen: Christus leeft in mij! Daarmee lijkt Paulus de lat erg hoog te leggen, terwijl hij feitelijk enkel wijst op genade. Hij zegt: “wordt als ik” – d.w.z. leer te leven van Gods genade, in echte vrijheid.

Paulus’ verlangen roept wel allerlei vragen op: wie zijn er tegenwoordig voorbeelden zoals Paulus? Is het bemoedigend of juist niet dat het met de christelijke kerk altijd zo moeilijk is geweest?

Belangrijkste is dat we leren roepen: “Abba, Vader”. In dat andere hoofdstuk over Abba en barensnood, Romeinen 8, leren we dat het niet zo is dat je volmaakt moet zijn voordat je eenmaal een christen mag heten. Nee, het is juist vanuit je onvolmaaktheid roepen en verwachten. Als Paulus zegt “word zoals ik” klopt hij zichzelf niet op de borst, maar wijst hij op wat genade vermag in het leven van een zondaar.

 

De vergeving der zonden

HC v&a 56, Lukas 7:36–50

Vergeven is makkelijker gezegd dan gedaan. Probeer het maar eens bij iemand die je iets heeft aangedaan, om vervolgens zelf de rommel op te ruimen. Vergeven daarom ook niet goedkoop.

Vergeving veronderstelt schuld

In Luk. 7:36–50 lezen we hoe een publieke vrouw iets doet wat de omstanders wel schandelijk moeten vinden. Ze droogt Jezus’ voeten met haar haren en zalft Zijn voeten: beide ongepaste handelingen en zeker in het openbaar. Als Jezus dít niet doorheeft, wat voor profeet is Hij dan helemaal?

Maar Jezus vertelt de gelijkenis over mensen aan wie verschillende bedragen worden kwijtgescholden. Wie meer is vergeven, heeft meer lief. Dat ontkent de schuld niet (ook niet van die vrouw), maar onderstreept de schuld juist. Het enige wat er aan grote schuld te doen is, is vergeving.

Schuldbesef is dun gezaaid in onze tijd. Veel mensen kunnen zich wel boos maken op allerhande daders. Veel mensen voelen zich ook slachtoffer. Maar daders zijn moeilijk te vinden. We hebben een blinde vlek voor onze schuld, met name wel onze schuld tegenover God. Wat hebben we Hem eigenlijk misdaan?

Juist in de vergeving zie je het scherpste wat schuld is: wij wilden God. Liever vermoordden wij Hem dan dat wij Zijn liefde zouden aanvaarden. Dat zie je in het kruis van Jezus.

Schuld in geld is nog het gemakkelijkst: die laat zich terugbetalen. Maar de meeste vormen van schuld kunnen niet teruggedraaid worden. Gebeurd is gebeurd. Een moordenaar blijft een moordenaar, een leugen kan niet zomaar ongedaan worden gemaakt. Zo bouwen we schuld op, en nooit wordt de berg kleiner. Reken maar niet dat het voor God wél gemakkelijk is om de schuld weg te doen. Juist de Rechtvaardige en Schuldeloze denkt niet lichtvaardig over schuld.

Dus moeten wij uiteindelijk veroordeeld worden in Gods laatste oordeel over deze wereld. En dat is geen kwestie van domme pech, waar je niets aan kon doen. Nee, wij hebben voor deze schuld gekozen.

Hebben we zo onze schuld wel leren kennen en toestemmen? Laten we niet lichtvaardig over onze schuld denken!

Betekenis van vergeving

Vergeving is alleen vanuit God te begrijpen; geen mens heeft deze vergeving bedacht. Je zou je zelfs kunnen afvragen of het allemaal niet te gemakkelijk gaat: als alles vergeven wordt, waar blijft dat het recht? Maar: er vindt wel degelijk vergelding plaats. De HC spreekt van de genoegdoening van Christus. Hij heeft voldaan. Waar er in de Schrift sprake is van vergeving van zonden, wordt er gesproken van Zijn bloed (zie bijv. Mt. 26:28). Het gaat hier om de liefde, die Zichzelf geeft, offert voor de ander. Dat toont ons uiteindelijk wat Gods liefde is.

In Micha 7:18–19 lezen we dat juist God Degene is die vergeeft. De zonde is namelijk een geweldige macht, die door niemand anders overwonnen kan worden, en vergeven vergt meer dan menselijke liefde. Het gaat hier om genade die het menselijke te boven gaat. We lezen er dat de zonden in de zee geworpen worden, om voor altijd weggedaan te zijn. Zoals eens de farao, de grote vijand, in de zee geworpen werd, zo worden de zonden als vijanden weggedaan.

Het is niet eenvoudig om deze vergeving te ontvangen, te accepteren. Immers, als mijn schuld wordt weggedaan, waar blijf ik dan zelf? Wordt dan niet heel mijn geschiedenis uitgewist? Dat is nu net het punt: alles wordt nieuw! Dat vraagt wel vertrouwen en het inleveren van onze hoogmoed.

Leven van vergeving betekent strijd

Hoe kun je nu weten dat je zonden vergeven zijn? Velen wachten op een bijzondere ervaring, zonder precies te weten waarop ze wachten. Het gaat echter om het leven op Gods beloftewoord. Maar er komt geen moment in dit leven dat de strijd met de zondige aard voorbij is (zo zegt de HC). Zie ook Paulus in Romeinen 7: hij wil het goede doen, maar het kwade ligt hem bij.

Opvallend genoeg wordt de vergeving van zonden in de Bijbel vaak verbonden aan de doop, zie Hand. 2:38 en Mark. 1:4 bijvoorbeeld. Ook de geloofsbelijdenis van Nicea spreekt over ‘één doop tot vergeving van zonden’. De doop is immers teken van Jezus’ dood én opstanding, van de betaling en de vernieuwing – ook van de belofte van volkomen vernieuwing.

Vragen

  1. Wat is het moeilijkste aan de leer van de vergeving der zonden?
  2. Hoe kun je weten of je zonden vergeven zijn?
  3. Is het mogelijk om schuldbesef in onze tijd te herwinnen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?